Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DUIVEN)KLAMPER, z. mv, m.. =- (Vogel) Sperwer, Accipiter nisus, epervier ordinaire. C.

Ook duiven stekker, klamper, klampvogel, spriwaal, steekvogel en stehvogel.

DUIVENNEST, z. nw., m.. = (Pottenbakk.) Aarden ring waar de duiven hun nest in maken.

Ook duivenring.

DUIVE(NjPIER. z. nw., m.. — Z. Duivenhouder. S.

DUIVE N POT , z. nw., m.. =' (Pottenbakk.) Aarden pot met openingen waar de duiven uit drinken.

DUIVE N)RING, z. nw., m.. — Z. Duivennest.

DUIVE NlSTEKKER, z. nw., m.. — Z. Duivenklamper.

DUIVEiNiZAK, z nw., m.. = Linnen zak met houten bodem waar men de duiven in draagt.

DUIVER, z. nw., m.. = Doffer, manneken der duif. C. D.

V. heet het Zuidnederl..

Ook koper en koperen.

DUIVIN, z. nw., vr.. = Wijfken der duif. C. S. K. columba.

V. heet het Zuidnederl..

DUIZELACHTIG, bijv. nw.. = Duizelig. Mijn hoofd is duizelachtig van 't danig gerucht.

DUL, bijv. nw.. = Dol, razend. S. K rabiens. Een dulle hond.

Z. Verdam.

— = Gram, toornig. C. D. S. K. furiosus. Zulke booze kinderen, zoudt ge daar niet dul van worden ?

— Dulle koop , voordeelige koop, allerschoonste kans. D. S. Het is een dulle koop, vier frank veur alzoo een schoon paar schoenen.

— Gelijk dul, zeer, uitermate. Die kolen branden gelijk dul. De kooien met zulk weder groeien gelijk dul.

Ook gelijk zot.

DULDER, bezitt. voornw.. = Uw, hun. Ons parochie is groot, maar de duider is kléin.

DULHEID, z. nw., vr.. == Razernij. De dulheid is de gevaarlijkste ziekte der honden.

— = Woede , hevige gramschap. D. K.ftiror.

Ook dulligheid.

DULLEKERVEL . z. nw., m.. = (Kruidk.) Heracleum palmatifdum, grande cigue, fam. Umbell..

DULLEKOP. z. nw., m.. = Zekere soort van aardappel die vroeger veel geplant werd. Hij was groot, zeer vruchtbaar, met diepe putten, en diende tot voedsel aan de beesten. Hij werd maar in Juni geplant. S.

DULLIGHEID , z. nw., vr.. — Z. Dulheid. C. D.

DUMMELEN, werkw., overg.. — (Boer)Z.Dappen.

DUMSTER, bijv. nw.. - Z. Deemster. D.

DUN, bijv. nw., enbijw.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo dun als de liefde , van stoffen gezeid, van soep , enz.. Zoo dun als pompwater, als papier.

— (Metser) Dun werken, door weinig mortel te bezigen eene dunne voegtusschen de lagen maken.

— Er dim zijn, staan, zitten of loopen , zeldzaam zijn. C. Huizen van over vierhonderd jaar staan er dun.

— Dunne boom. Z. Boom.

DUNNELING, z. nw., m.. = Plant, heester, boom voortkomende van het uitdunnen. C. S. Dunnelingen uit de bosschen.

Bij D. dinneling.

DUNNENDROL. — Z. Dikkendrol.

DUNSEL, z. nw., o.. = Hout of groensel voortkomende van het uitdunnen. C. S. Hij heeft wat dunsel van radijzen uit den hof méegebrocht.

Bij D. dinsel.

Bij V. — jonge, eerste (krop)salade.

DUO , z. nw., m., (niet o.). — Z. Wdb.. C.

DUPPEN. werkw., onov.. — Z. Dibben. D. S.

DUREN, werkw., onov. {hebben). — Z. Wdb..

Spr. : Duren gelijk de eeuwigheid. Duren is een schoont stad, maar blijven is nog een schoonden, op iets dat nu wel goed gaat, maar waarschijnlijk geenen stand zal houden.

DURF, z. nw., m.. = Het durven, stoutheid, hert. Ik heb den durf niet in mijn lijf om dat te doen.

DUTS, z. nw., m.. = Sukkelaar, sul. C. D. Meest uit medelijden gebezigd.

Gewestelijk bij V..

DUTS, z. nw., vr.. — Z. Deus.

— Dutsen en prutsen , in het tritsspel, worp van twee teerlingen met twee oogen , en twee met éen.

Ook pijp en toebak en zokken en blokken.

DUTSACHTIG, bijv. nw, en bijw.. = Sukkelachtig , sulachtig. D. S. Zie eens hoe dutsachtig dat dit kind is.

DUTSE, z. nw., vr.. = Sukkelaarster.

DUTSEN, werkw., onov. {hebben). = Sukkelen, zich veel moeite geven. Ik heb lang moeten dutsen om de deur open te krijgen.

Gewest, bij V..

DUUR, z, nw., m.. — Z. Wdb.. Zijn vriendschap zal van geenen duur zijn.

Gep. w. : Rust noch duur hebben, ongerust zijn. Ik zal noch rust noch duur hebben , zoolang ik mijn kind niet thuis zie.

— Op den duur, als 't lang duurt, eindelijk. V. Dat traag zingen begint op den duur te vervelen.

Ook ommenduur.

DUUST, bijv. nw.. = Duizend. Duust en een.

Bij D. duist.

Meer duzend.

Sluiten