Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DUVEL, z. nw., m.. = Duivel, booze geest, C. K. diabolus.

Spr. : Den tiurel te slim of te plat zijn, zeer slim zijn. Meentn dat men den duvel bij den kop heeft, meenen eene goede kans te hebben. De duvel houdt de heers, ik versta mij aan de zake niet. De duvels houden kermis, wordt gezeid als 't regent en de zonne schijnt. Klapt ge van den duvel, ge ziet zijnen steert . spreekt ge van iemand , ge komt hem tegen of hij komt in 't gezelschap. De duvel ligt er met jongen, het deugt niet in dat huis, in dat gezelschap , enz.. Ge zoudt zeggen 't is de duvel en zijn moer, 't is iets

bijzonders, iets groots, maar Loop naar den

duvel, maak u weg. Van den duvel inhebben , 10 zeer kwaad zijn, 2° zeer genegen zijn tot, gelijk van de duvels bezeten zijn om : — hij heeft van den duvel in om naar dat herbergsken te loopen. Bij den duvel te biechten gaan, bij een verkeerden raadsman gaan. Soort zoekt soort, zei de duvel, en hij vloog weg met den schouwvager. Veur 's duvels ziel werken. werken om zijne schulden te betalen. Gelijk de duvel is, zoo betrouwt hij zijn gasten. Het spijt is van den duvel gemaakt. Loopen alsof ge den duvel gezien hadt, spoedig wegvluchten. Overeenkomen gelijk de duvel ett Sinte Michiel of Sinte Pieter. Zoo hard als de duvel op zijnen kop, van eenen koppige. Duvels zak is nooit vol. Aan iets houden gelijk de duvel aan een ziel. Aan iets kouden gelijk de duvel aan het branden, scherts. Veur den duvel een keersken ontsteken en achter zijnen rug uitblazen, iemand in schijn voldoen. Vluchten gelijk de duvel veur 't kruis. Die den duvel gelooft, heeft zijnen meester gevonden. Als de duvel oud wordt, wordt hij heremijt of gaat hij onder den preekstoel zitten , van iemand die in zijnen ouden dag zijne vroegere levenswijze verbetert. De duvel schijt altijd op den grootsten hoop, 't geld wil altijd bij dezelfden zijn. Veel geschreeuw en weinig wol, zei de boer, en hij schoor zijn verken. Elk is duvel in zijnen stiel, dief in zijn ambacht. Wacht naar den duvel zijn dood en hij is nog niet ziek, als iemand naar iets wacht dat nooit gebeuren zal. Waar Ons Heer een kerk heeft, zet de duvel een kapelleken nevens. Ge zoudt alle duvels te velde roepen, op iemand die zeer verveelt of plaagt. Een engelken met een duvelken, bij eenen koop, goede met slechte waar. Zijnen duvel scheren , zeer gram zijn, veel gerucht maken, kijven. Te dom, te lomp, te leelijk om veur den duvel te dansen, zeer dom , enz.. Ge zoudt den duvel op een kussen binden, op iemand die zeer kloek en fel is. Er op slaan , vallen of zitten gelijk de duvel op Geeraard, er duchtig op slaan. Zijn gelijk een gestampte duvel, zeer kwaad. De duvel is met zijn sporen over zijn gezicht gereden, hij is pokdalig. Duvel en helle zijn, zeer snel, zeer kwaad of zeer slim zijn. Duvel noch hellt- vreezen, niets. Zoo zwart, zoo hard, zoo kwaad, roepen, tieren als een duvel. Spartelen gelijk een duvel in een wijwatervat. Hij zou den duvel den steert afwerken , op iemand die fel werkt. Den duvel in den kop krijgen, kwaadwillig, boos worden. Het is juist het jong van leelijken duvel, op iemand die zeer leelijk, afzichtelijk is. Ntn duvel veur 'nen

nieuwjaar krijgen, scheldwoorden in plaats van lof.

— In uitroepen van verwondering en ongeduld. Wat duvel ! Wat ten duvel !

— Om den duvel, soms uit den duvel, geweldig, zeer, uitermate. Dat mes snijdt om den duvel, het snijdt uit den duvel.

Meest altijd in de scherts gebezigd.

— Van de duvels, van de helsche duvels, zeer groot. Een muil van de helsche duvels hébben. Een gerucht van de duvels maken.

— Om den duvel niet, zeker niet, geenszins. Ge meugt dat niet doen, om den duvel niet.

— = Iemand die uitmunt door lichaamskracht, boosheid, enz.. C. D. Een sterke duvel van'nen vent. Koppige , gierige duvel.

Wordt ook van dieren en sommige zaken gezeid. C. D. Een kwade duvel van een peèrd. 't Is een duvel van een weer, zeer slecht weder.

— = Geweld, drift. Die man zal niet veel kwaad meer doen, zijn duvel is dood.

— = Stoomwagen , locomotive. C.

— = Soda , soude. C. In die loog is gemeene duvel : mijn wasch gaat slecht vooruit.

Ook polkaseep en zoet.

— = Mestkever, bousier, geotrupes. C.

— = Watertor, dytique, dytiscus marginalis en dytiscus punctulatus.

Ook mondje pek, tor en waterduvel.

— Duvelken , kleine kamerstoof.

— Duvelkens , kleine steenkolen.

— Duvelken pek. 't Is geen spel, maar een vermaak van de kinderen. Zij hebben een vlierstokje ; daar het merg uitgehaald, eenen mond , oogen er op geteekend, van onder een spinnewielnagelken ingesteken en duvelken pek is klaar. Werpt en smijt het waar en hoe gij wilt, 't zal altijd blijven rechtstaan op zijn nagelken.

In plaats van een nagelken strijkt men er van onder soms pek aan.

— Duvel uit de Helle. De spelers maken eene ronde die voor het kot van den duvel moet dienen. Jozef wil duvel zijn. Al de speelgenooten staan rond het kot, zij schimpen en schampen op den duvel, al roepende : duvel, duvel uit d'hel. Jozef is 't beu, hij loopt het kot uit, maar met de handen te zamen , wat hem in 't loopen fel belemmert. Hij vangt Petrus ; beiden loopen nu naar 't kot, terwijl al de speelmakkers ze boef en, totdat zij in 't kot zijn. Petrus en Jozef loopen beiden rond om anderen te vangen, onderwege laten zij malkander los ,. nu terug naar't kot, terwijl de overigen ze slaan. Voor den derden keer zitten ze achter de overschietende spelers ; eindelijk blijft er maar een meer over. Deze wordt de duvel voor het volgende spel, en wordt ook met slagen ingehaald.

Als men het bespreekt, is deze ook gevangen die in 't kot durft trappen.

— bijv. nw.. = Kwaad, woedend. D. Hij was duvel omdat ik hem in den twist niet geholpen had. U in iets duvel maken.

Sluiten