Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEGALIG (scherpe e), bijv. nw. en bijw.. = Gelijk, onverschillig. C. D. S. Om goed te luien moet ge altijd eegalig trekken. Ge meugt zwarte of bruine stof nemen : mij is dat eegalig.

Bij S. ook egalig.

— = Van gelijke hoedanigheid, grootte, kleur, enz . Eegalig plantgoed. Ge moet eegalige saai geven.

EEGBALK. z. nw., m.. = Balk van de egge. T.

EEGD, z. nw., vr.. — Z. Eeg.

EEGDE, z. nw., vr.. — Z. Eeg. D. S. K.

EEGDELICHTER, EEGDELUCHTEB, z. nw., m.. = (Boer) Houten handvatsel met koorde dat aan de egge is vastgemaakt en waarmede men die van tijd tot tijd opheft om het meegetrokken onkruid te lossen.

Bij C. eggeslichter.

EEGDEN (zachte e), werkw., overg.. = Eggen. D. Het land eegden.

Ook egen.

EEGENIS, z. nw., vr.. — Z. Eeclienis.

EEGSCHEE(DE), z. nw., vr.. = Een van de dwarshouten der egge waar de egtanden in steken.

EEGTAND . z. nw., in.. = Tand van de egge. T. K.

Spr. : Ge kunt niet weten hoe een boer 'tien liaas vangt, al ware 't op 'nen eegtand.

Bij D. eegdetand.

EEK , z. nw., m.. = Eik. D. S. K.

Weinig gebruikt zegt V..

Raadsel op de zevensterre :

Onderwege Roomen,

Stonden zeven boomen,

't Waren geen eeken, 't waren geen esschen,

Ge zoudt het niet raan, al waarde gezessen.

Bij Verd. eike, ehe, eic, heike en ehe.

EEKEL , z. nw., vr., (niet m.). = Eikel. C. D. S. K.

Spr. : Zoo rond als een eekel. Veel eekels is een felle Winter.

— = Top van linten , snoeren , enz., in de gedaante van eenen eikel.

— = Eikelvormige oorbel. D.

Bij Verd. eikel, ekel en eeckel.

EEKELEEB (zware e), z. nw., m.. = Eik, eikeboom , vooral als vruchtdragend.

Bij D. eekelaar.

EEKEN. bijv. nw.. = Eiken. Een eeken kist.

V. geeft eeken en eiken.

EEKEBONKEB, z. nw., m.. = Meikever. D. S. De eekeronkers zitten geren op de blaren van de eeken.

EEKHOOBEN)KEN, z. nw., o.. = (Kruidk.) Dagbloem, Tradescantia virginica, éphémère deVirginie, fam. Commel.. D. vertaalt Tr. virg. door groeigeem.

EEL (zachte e), bijv. nw. en bijw.,= Deftig, schoon. Blauw is een eel koleur.

Edel beteekent altijd adellijk.

EELBOT (zachte e), z. nw., in.. == (Visch) Heilbot. C. K. eelbot, heylbot = passer piscis.

EEMEB, z. nw., m.. = Emmer. C. D. S. T. R. K. hydria.

— = (Schipper) Boot met twee scherpe koppen.

— = Pint, al lachende. Geef mij nog'nen eemer bier.

— De vier eemers (de vier eemskinderen ?), uithangbord van veel herbergen.

Bij Verd. emere, eemer, emmer, eimer, ymmer, emer en heemer.

EEN. — Telwoord , en nooit onbepaald bijvoeglijk naamwoord , dat ne(n), en , e(n) is.

Spr. : In 't jaar een als de uilen preeken, nooit ; — dat zal zeker gebeuren in 't jaar éen als de uilen preeken ? Op een twee drij, op 'nen oogwenk , op staanden voet, aanstonds ; — ziet goed , riep hij, ik keek, en op een twee drij was mijn portret getrokken. Een en hetzelfde, gansch gelijk ; — gij of uw broeder, is dat niet een en hetzelfde ? De eene en de andere ; — hij krijgt 'nen cent van den eene en van den andere (van eenige, sommige menschen) en zoo leeft hij. 't Een en 't ander, iets; — heel en gansch ken ik die geschiedenis niet meer, maar ik weet er toch nog 't een en 't ander van (eenige bijzonderheden, deelen). Deur eenen mond spreken,

tijd van hetzelfde gedacht zijn, hetzelfde zeggen. Dat is nochte een nochte geen, iets en niets , daar ben ik niet mede geholpen, 't Is altijd koekoek een zang, 'tis al hetzelfde wat gij zegt of vraagt.

— Niet een is ongekend. Altijd zegt men geen een. Ik heb in die streek geen eenen mensch gezien.

— Een seffens, eentje seffens , een voor een, met eenen keer. C. D. Draagt de boeken boven, eenen seffens , want ze wegen zwaar.

— Een van al niet, niemand, geen enkel. Zijn de kinderen gekommen ? Neen, ik heb ze een van al niet gezien.

— Op een naar, uitgenomen een. C. R. Hij schoot al de hoogste vogels af, op éenen naar.

— z. nw., m. en vr.. = Iemand, een man, eene vrouw. C. D. R. Der komt daar een in den winkel om een pond suiker. Ze is getrouwd met eenen van de familie A...

V. kent een ; eene noemt hij gewest..

Bij Verd. m. en vr..

— Een , eene zijn, in iets goeds of iets kwaads uitmunten. C. Die knecht is een, hij werkt er voor drij.

— Met den eenen , terzelfdertijd. Ga weg, riep hij, en met den eenen sprong hij in 't water. Z. Ander.

EENDELIJK, bijv. nw. en bijw.. = Verschrikkend, naar. C. D. S. 't Is zoo eendelijk hier op 't kerkhof. Eendelijk schreeën. Eendelijk kermen.

Ook eenig.

Sluiten