Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EIlE)RE(NiSMAAK. z. nw., m.. = Smaak van een ei. Die spijzen hebben 'nen eierensmaak.

EI(E)RENTRAPPER, z. nw., m. — Spotnaam op de inwoners van Sint-Gillis (Waas).

EI(E)RE(NjVROUW , z. nw., vr.. = Koopvrouw in eieren.

EI(E)RE NjZUIPER, z. nw., m.. -= Die veel eieren zuipt. Kind, ge wordt stillekens aan een eierenzuiper, dat is kostelijk.

— Spotnaam op iemand die mager en deerlijk is.

Spr. : Er uitzien gelijk een eierenzuiper, bleek en mager.

— = Wezel.

EIFEL, z. nw., m.. = Armvol. Ik heb 'nen heelen eifel hout geraapt.

Ook eirfel en erfel.

Bij S. en R. ervel.

EIGEN. bijv. nw.. = Verwant door bloedverwantschap of door aanhuwing. C. D. S. Een meisen, al ware zij nog zoolang bij u, is toch nooit zoo zeker als iemand die eigen is.

— = Niet vertrouwelijk, niet gemeenzaam , feu communicatif. D. Mijn kameraad is heel eigen , ik en weet er niets van.

— Op eigen hand, zonder iemands hulp of tusschenkomst. C. Hij heeft alles op eigen hand gedaan , en draagt er nu ook al den last af.

— Zijn eigen dood sterven, zijne natuurlijke dood. C. D.

— Wordt, om reden van nadruk , veel overtollig gebruikt. C. Ik heb het met mijn eigen ooren gehoord.

— z. nw.. = Zelf. C. T. R. Hij heeft zijn eigen veel schade gedaan. Ge zoudt uw eigen aan de galg klappen.

— Wordt dikwijls door zelf versterkt. Ik kan met met mijn eigen zeiven geenen weg. Hij praat veel tot zijn eigen zeiven.

— Op mijn, tuu, zijn, enz., eigen, i° eenig in zijne soort ; — dat is een man op zijn eigen. 2° onafhankelijk, op zich zeiven, S. R. ; — vroeger huurde ik een werkhuis met mijn schoonvader, nu heb ik een op mijn eigen.

Bij V. gewestelijk voor 2°.

Spr. : Op zijn eigen zijn gelijk Meerdonck, al schertsende.

— Uit zijn eigen, uit eigen beweging. V. Iets doen uit zijn eigen.

— Z. ook vaneigen.

EIGENBAKSEL, z. nw., o.. = Iets dat men zelf gebakken heeft. Dat brood is eigenbaksel.

EIGENBROU'WSELi, z. nw., o.. = Wat men zelf brouwt. Die azijn is eigenbrouwsel.

EIGENDOM, z. nw., m., (niet o.). — Z. Wdb'.. C. R.

— = Maagschap. C. D. S. Een mensch zonder eigendom is te beklagen.

Mann. bij Verdam.

EIGENHANDIG, bijv. nw. enbijw.. = Uit eigen hand , met eigen hand. Dat meubel is eigenhandig van mijn vader gemaakt.

Bij V. : « zelf (geschreven). »

EIGENHEID, z. nw., vr.. = Gebrek aan vertrouwelijkheid.

EIGE(N MAAKSEL , z. nw., o.. = Wat men zelf maakt, 't Is niet schoon geschilderd , maar ge moet weten dat' het eigenmaaksel is en ik ben toch geen schilder.

EIGE(N)MONDIG, bijw.. -=Uit eigen mond. C. Hij heeft mij dat gisteren eigenmondig beloofd.

EIGENNAAISEL, z. nw., o.. = Wat men zelf naait. Moeder, ziet eens naar mijn broek of ze goed gemaakt is, want het en is maar eigennaaisel.

EIGE(N)PLANTSEL , z.nw.,o.. = Wat men zei plant. Die boomen die daar staan, zijn dien mar zijn eigenplantsel.

EIGE N S. — Z. Vaneigens.

EIGENSTE, bijv. nw.. = Wordt gebruikt met het lidw. of met een aanw. bijv. nw., in den beteekenis dezelfde. V. C. D. Dat is de eigenste boek als dien ik u gaf.

EIGE(N)STOPSELi. z. nw., o..=Wat men zelf stopt. Moeder, ziet eens naar mijn kous, is dat niet wel voor eigenstopsel ?

EIGENTLIJK, bijv. nw. en bijw.. = Eigenlijk. C.

EIGE'N ZINNIGAARD. z. nw., m.. = Eigenzinnige. C.

EIKEN ,- z, nw., o.. — Z. Aaiken. C. S.

EIKEN, z. nw., o.. = Klein ei.

— = (Marmelspel) Inzet, marmel, knikker of kern die ingezet wordt.

Ook zaad.

— = Eivormig doosken waar men eenen rozenkrans in bewaart.

— = Snoeperij, suikerbol van de gedaante van een klein ei.

— Eiken leggen, Kinderspel. Al de kinderen zitten gehurkt in eene groote ronde. Wie het ei legt, neemt zijnen zakdoek en gaat rond ; terwijl zingt hij :

Liederom , liederom Iets .

Al wie omkijkt, krijgt nen klets ;

Ik zal mijn eiken haast gaan leggen ,

Ik zal mijn hinneken haast gaan spinnen.

Terwijl hij zoo rondloopt. laat hij op eene onzienbare wijze zijnen zakdoek achter den rug van eenen speler vallen en loopt altijd maar voort. De maat achter welken de zakdoek gelegd is, moet

Sluiten