Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien opnemen en achter den legger loopen. Kan hij dezen vangen vóórdat hij op zijne plaats terug is, zoo moet de eerste in het midden der ronde staan en mag niet meer medespelen ; kan hij hem niet grijpen, zoo nemen de twee spelers elkanders plaats in. Kan de legger den zakdoek achter iemands rug laten vallen zonder dat deze het ziet, voordat de legger de ronde gedaan heeft, zoo mag hij hem ook vangen met den zakdoek achter diens leerlings rug op te rapen.

Als men zoo 5 of 10 maten gevangen heeft, moeten deze drijmaal door de kardoes.

Daarvoor zetten de andere zich op twee rijen met het aangezicht naar elkander gekeerd, en ieder met eenen zakdoek in de handen, waarmede zij op de gevangene leerlingen slaan, terwijl deze er tusschendoor loopen.

EIKR.UID. z. nw., o.. —< Z. Bakkruid.

EILAND, z.nw., o.. - Z. Wdb..

Vergel. : Een kamer gelijk een eiland , zeer groot, zeer ruim.

EIN , werkw., overg . = Hebben. D. Wij ein vandaag slecht weer.

m EIPRUIM, z. nw., vr.. = Groote witte pruim , wel gelijkende op een ei.

EIRFEL, z. nw., m.. — Z. Eifel.

EIS, z. nw., m. en soms vr.. Hengsel van emmers , potten en ketels. D. S. R. K. rijnse en heynse. Om 'nen eemer te dragen, neemt men hem bij den eis.

Bij D. ook einze , enze, heinze en heis ; bij S. ook tnze, ense, inse én inze; bij R. ook heis.

EITJE, tusschenw.. — Z. Eetsch.

Bij D. ekke, eklje en etje ; bij S. atsche.

EITJEFOEI, tusschenw.. — Z. Eetsch.

Bij C. ekefoei.

EIVOL. bijv. nw. en bijvv.. = Zeer vol. Heelde zaal was eivol.

EIVUIL. z. nw., o.. = Korst op het hoofd van jonge kinderen, croüte de lait.

EK. EKIK, aanleun, voornw.. = Ik. C. Zal ek dat doen ? Dat weet ekik niet.

EKKERTISSE, EKKETISSE , z. nw., vr.. — Z. Artisse. K. echtisse. eghdisse, heghdisse, lacertus.

Z. Egedisse, egeiisse, eggedisse bij Verdam.

EKKENBAK, z, nw., m.. — Z Echelbak.

EKKESTEEN , z. nw., m.. — Z, Echelsteen.

EKKETISSE. z. nw., vr.. — Z. Ekkertisse.

EKKETONG, z.nw., vr.. — Z. Echeltong.

EKSTER, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Vergel. : Babbelen, stelen gelijk een ekster.

EKSTEROOG, z. nw., vr., (niet o.). — Z. Wdb.. C. R.

ELEGTRIEK, z nw., m.. --- Electriciteit. De doktoor werkt met den electriek op mijn been.

— — Electrisch licht. Heel 't fabriek is met den electriek verlicht.

ELEVATIE, z. nw., vr.. = Consecratie, bijzonderste deel der mis, als de priester de H. Hostie en de Kelk hoog opheft, 't Is aan de elevatie van de mis, want ik hoor de beeklok.

— Kleine elevatie, deel der misse juist voor het Pater jioster.

ELF, bijv. nw.. — Z. Wdb..

. Spr. : Elf (ook heps) en de blaas hebben of elf in de blaas en tien in den netzak, niets. Als iemand elf schrijft, wordt er gezeid : die kan een boer met zijn vork maken.

ELF, z. nw., m.. — Komt voor in bijlelf. Z. dit woord.

ELFREBBE. z. nw., vr.. = Lang, mager wijf, spotnaam. K. elfrubbe — longurio, homo enormiter pro'! rus.

ELFSRANK. z. nw., vr.. — Z. Alfsrank. D.

ELFSTE, bijv. nw.. = Elfde. C. K.

Spr. : Houden mat ge hebt en pakken wat ge krijgen kunt, is 't elfste gebod.

ELFTEENDER, z. nw., m.. — Spotnaam, gierigaard.

ELF-UREiNjBLOM . z. nw., vr.. Kruidk.) Middagschoone , Ornithogallum umbellatum, dame de onze heitres, fam. Liliac.. D. vert. Orn. umbell. door kraailook en kruilooh.

Ook noenblommeken, noenkloksken , Marias noenblommehen, O. L. Vr. middagblom en zevenster.

ELF-URE(N)LIJK, z. nw., o . = Lijkdienst die om elf uren geschiedt. C.

ELF-UREfN)MIS, z. nw., vr.. Misse die te elf uren gelezen of gezongen wordi. C.

ELK, z. nw.. — Z. Wdb..

Gep. woord. : Elk en iedert iedereen , alleman.

Spr. : Elk reur 't zijne en God veur ons al, laat mij begaan , elk bemoeie zich met zijne zaken.

— Van elks, van ieder soort. C. Ik zal er van elks drij paar nemen.

ELKENDEEN. z. nw., m.. = Elkeen, iedereen. C. D. S. Eikendeen zegt er zijn zegskenover.

ELKS. onb. vnw.. — Z. Elk.

ELLEBOOG, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Iets met zijn ellebogen aanpakken, niet krijgen. Met zijn ellebogen in zijnen zak schieten, niets geven.

_ = (Pottenbakk.) Zekere kannebuis die de gedaante van een gekromden arm heeft.

— = (Smid) Stuk buis in de gedaante van eenen elleboog. C.

— (Vlas) Omgebogen stam van het jong uitschie- .

Sluiten