Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ERTRIJS, z. nw., o.. = Erwtenrijs. C.

ERTSCHELP, z. nw., vr.. = Erwtedop. C.

ERTSOEP. z. nw, vr.. = Erwtensoep. C.

Bij D. erweetsoep.

ERTSPA, z. nw., vr.. = Gewone handspade.

ERTZET, z. nw., vr;. = Zet om erwten te planten.

Bij D. erweetzette.

ES. — Z. Ends.

Bij S. est.

ESPRES, bijw.. — Z. Aspres. C.

ESSELEN, werkw., onov. (hebben). = Sukkelen, van eene ziekte en eenen zieke. Vader esselt met zijn been.

ESSELING. z. nw., vr.. = Sukkeling met eenen zieke en met eene ziekte. Wij hebben een langdurige esseling gehad met ons zieke moeder.

ETELIJK, bijv., nw.. = Eetbaar. C. D. S. K edulis. Die patatten zijn niet etelijk , zoo slecht !

Z. Verdam.

ETEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Hij heeft ze geè'ten, het is een slimmerik. Zijn woord eten, zijn woord intrekken. Ge moet eten en vergeten, ge moet het ongelijk dat u aangedaan is, niet blijven onthouden, 't Is beter geè'ten als 't bedde versleten , wel eten is beter dan ziek zijn. Dat en eet geen brood, dat kan wachten, dat ligt in 't vuur niet, daar is zulke groote haast niet bij. Moet gij er van eten ? zegt men tot iemand die zich met iets bemoeit dat hem geenszins aangaat. Pijn eten (of drinken), zeer veel pijn, smert moeten lijden. Niets te eten noch te breken hebben, zeer arm zijn. Dat ze 't koken gelijk ze 't eten willen, dat zij handelen naar beliefte. Eten wat depot kookt, wat voor iedereen op tafel komt.

ETEN, z. nw., o.. — Z. Wdb..

— Voor den etenen, voor het eten. Na den eten. Van den eten af, van middag af.

Spr. : Den kost veur 't eten hebben, zonder werken. levers eten en drinken veur laten, er zeer veel aan houden.

ETENS. — Z. Eet.

ETER, z. nw., m.. — Z. Knapper.

ETERS. — Z. Eet.

ETSE, tusschenw.. — Z. Eetsch.

ETSJE, tusschenw.. — Z. Eetsch.

ETSKEN , tusschenw.. — Z. Eetsch.

ETTING, z. nw., vr.. = Vruchtbare akker langs de vaart of de meerschen gelegen.

Bij V. : « recht van beweiding. »

K. geeft ettinghe = pascua. 't Is te denken dat de gronden die etling heeten, vroeger weiden waren.

Verdam.

EULE, z. nw., vr.. = Eulalia.

EUR, z. nw., m.. = Uier. D. S. Die koe heeft 'nen schoonen eur.

Bij S. ook uur.

EURZAK, z. nw., m.. — Z. Aarzak.

Misschien heurzak.

EURZAKKEN, werkw., onov. (hebben). In 't spel bedriegen, zeuren. Ik speel met u niet meer, ge eurzakt altijd.

Misschien heurzakken.

EUVEGEER (zware e), z. nw., m.. — Z. Avegeer.

EUVELLE(D)ER, z. nw., o.. = (Schoenmak.) Overleder, empeigne.

Bij C. en D. euverleer.

EUVERHEID . z. nw., vr.. = Weerdigheid , bediening die min of meer gezag heeft. C. D. Mijn vader is van euverheid in den bond.

— = Overheid, overheden. C. D. De geestelijke euverheid was op de feesten gevraagd.

EUVERROK, z. nw., m.. = Overrok, koorhemd.

EUVERSTE, z. nw., m. en vr.. = Overste. C. D. Hebde aan de euverste van 't klooster gesproken ?

EUZIE. z. nw., vr.. = Onderste deel van een strooien of pannendak dat over den muur hangt.

Bij C. euzel en neuzel; bij S. euze en euzen.

EUZIEDRUP, z. nw., m.. = Waterdruppels die van de euzie vallen. D.

Bij C. euzeldrup en neuzeldrup.

Vergel. : Zitten gelijk een hin in den euziedrup, beschaamd, onthutst, beteuterd.

Ook neuzendrup.

EVANGELIE, z. nw., o.. — Wdb..

Spr. : Het Evangelie zal slaan , ge zult bekeven worden, 't Is 't lang Evangelie, dat duurt lang. Al wat hij zegt, is geen Evangelie.

EVEGEER (ev en geer, zware e), z. nw., m.. — Z. Avegeer. C. K. evegher = terebra.

EVENEENDER, bijw.. = Gansch om 'teven, volkomen gelijk. Het is mij eveneender wat dat gij zegt, ik en spreek u niet meer aan.

Ook eveneens en eveneensens.

EVENEENS, bijw.. — Z. Eveneender.

EVENEENSENS, bijw.. — Z. Eveneender.

EVENGAUW. bijw.. - Aanstonds, onmiddellijk. D. S. Ik loop evengauw om den priester.

EVENVEEL, bijw.. — Iemand laten loopen veur evenveel, zonder er zich om te bekommeren, zonder hem zich aan te trekken. Iets laten voor evenveel, op iets geen antwoord geven , op een gezegde zwijgen alsof 't niet uitgesproken ware.

— = Onverschillig, gelijk. V. S. Kijkt gij er naar of niet, het is mij evenvee'.

Sluiten