Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FELLIGHEID. z. mv., vr.. = Kloekte, verstand. Hij heeft te veel van zijn felligheid verwacht : hij meende te meugen spelen als de anderen leerden, en nu heeft hij maar éenen prijs.

FENIJN, z. mv., o.. — Z. Fernijn. D. R. K. venenum.

FENIJNIG, bijv. nw. en bijw.. — Z. Fernijnig. D.

FENIJNPOP , z. nw., vr.. — Z. Fernijnpop.

FEPEN, werkw., onov. [hebben). ~ Op de feep blazen. C. Hij heeft zonder ophouden een heele uur gefeept.

Ook fippen, fipperen , flippen en flipperen.

FERM. bijv. nw. en bijw.. = Vast, flink. V. C. Iemand ferm de waarheid zeggen. Een ferme kerel. Een ferm pak slagen.

— bijw., = Zeker, voorzeker. Gelooft gij dat ? Ja , ferm.

— = Zeer, in hooge mate. C. T. R. Dat liedje is ferm schoon. Het is ferm heet vandaag.

— = Buiten alle verwachting. C. Ik meende dat hij mij kwam roepen, maar hij ging ferm veurbij ons deur.

Ook fijn, in den laatsten zin.

FERMERIE, z. nw., vr.. = Ziekenkamer, infirmerie. C. D.

Z. Firmerie, bij Verdam.

FERNIJN , z. nw., o.. = Venijn, vergif. C. D. S. T. R.

Spr. : Heilig in schijn maar van binnen vol fernijn.

— = Gevleugeld en ongevleugeld ongedierte. C. D. S. T. R.

FERNIJNBOOM, z. nw., m.. — Z. Pastoorshoedken. (?)

FERNIJNIG, bijv. nw. en bijw.. = Venijnig, boos. C. D. T. Een fernijnige tong. Fernijnig weten te praten om anderen op te maken.

FERNIJNPOP. z. nw., vr.. = Rupsennest. De popscheer dient om de fenijnpoppen uit de fruitboomen te knippen.

FESTELAAN, z. nw., vr.. Groote zweer.

Bij D. fistelane.

FEZANT , z. nw., m.. = Fazant. V. C.

FEZELEN, werkw., onov. [hebben), = Stil praten , fluisteren. C. S. Hij heeft mij dat in de kerk in mijne ooren gefezeld.

Bij S. ook feselen.

Bij D. vezelen ; bij T. en R. fiezelen.

FIAKEREN, werkw., onov. (hebben). = In eene huurkoets rijden met een slecht peerd.

FICHELEN , werkw., onov. [hebben). — Slecht onhandig snijden. D. Is dat snijden dat gij doet ? het is oprecht fichelen.

Ook figgelen.

FIE, z. nw., vr.. = Sophia.

FIEL, z. nw., m.. = Theofiel.

FIELE, z. nw., vr.. = Philomena.

Ook Mene.

FIELEMAN , z. nw., m.. = Theofiel.

FIENE, z. nw., vr.. = Jozefina.

FIERLEFLUITER, z. nw., m.. — Z. Flierefluiter.

FIETEL, z. nw., m,. — Fierter, relikwiekas. D. De fietel gaat uit te Ronse.

Bij S.fiertele.

FIETEMARULLE, z. nw., vr., meest in'tmeerv.. = Soort van lichten koek uit meelbloem en eiwitschuim gebakken. D.

FIGGELEER (zware e), z. nw., m.. = Onhandige snijder. C. D. T. R.

FIGGELEN, werkw., overg. en onov. (hebben). — Z. Fichelen. C. D. S. T. R.

Bij S. ook feggelen, fikkelen en fikken ; bij R. ook fikkelen.

FIJFELEER (zware e), z. nw., m.. = Iemand die speelt op eene zijfluit, als er de eene of de andere gilde uitgaat. D.

— = Iemand die geerne fluit.

FIJFELEN, werkw., onov. (hebben). — Fluiten, pijpen op een fijferken. D.

FIJFER, z. nw., m., meest fijferken, o.. — Kleine fluit.

Bij D.fijfel; bij S. fijchel en fijfel; bij K. fiffel, vetus j. pijpe, fluyte.

FIJFTIG, telw.. = Vijftig. C.

Ook tfijftig.

Wanneer het van een ander telwoord voorafgegaan is, zegt men altijd vijftig. C.

FIJL, z. nw., vr;. = Scheur. Er is een fijl in die telloor.

FIJN. bijv. nw. en bijw.. —Z. Wdb..

Vergel. : Zoo fijn als een haar, als vlas, als zand, als zijde.

— (Bieman) Fijn werk , fijn broed. In fijn werk legt de koningin eieren waar fijne (onvolmaakt vrouwelijke) bieën uitkomen.

— (Bakk.) Fijn brood, brood van fijn gebuideld meel.

— (Blokkenm.) Nen blok in 't fijn snijden, hem in 't schoon bewerken, gansch afmaken.

— = Slim, verstandig. K. callidus, sagax. Hij weet zoo fijn te klappen dat hij altijd gelijk krijgt.

— Fijne buik, fijne teen , slimmerik, o Gij fijne teen, ge zoudt mij geern mijn centen afzetten !

Ook fijnaard en fijnderik.

— Fijne bek, die geerne lekker eten heeft, die vies is.

— Z. Ferm. C. R. Hij heeft mij fijn laten staan op de merkt.

Sluiten