Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Bedriegen, foppen. Ze heeft heur laten flippen.

Wordt veel gezeid van jonge dochters die zich

te buiten gaan.

FLIPPER, z. nw., m.. — Z. Flip, voor al de beteekenissen.

FLIPPEREN, werkw., onov. (lubben). —Z. Fepen.

— Z. Fipptn.

— = Bedriegen, foppen. Z. Flippen.

FLIPPERSHOUT. z. nw., o.. — Z. Fluitjeshout..

FLISTA, z. nw., vr.. = Felicitas.

FLITS, bijv. nw.. — Z. Flets.

FLITTER, z. nw., m., = Slag. S. Maakt u weg of ik geef u 'nen flitter dat uw hoofd draait.

Bij S. ook fletter en fleter.

FLITTEREN, werkw., onov. (zijn). Vluchten, ontsnappen, verdwijnen. De dief nam de horlogie en flitterde dan deur 't volk. De duif is uit mijn hand geflitterd.

Bij S. flidderen.

FLODDER, z. nw., m.. = Al wat fladdert, heen j en weer beweegt. C.

— ■= (Kleermak.) Los bezetsel aan de mouwen en rokken der vrouwenkleeren , volant.

FLODDERACHTIG , bijv. nw. en bijw.. = Fladderachtig. C. S. Het vlas is flodderachtig, wanneer het, bij 't zwingelen, ineenwarrelt.

Bij T. : « wankelbaar. »

FLODDEREER (zware t), z. nw , m.. = Streeler, fleemer. C.

FLODDEREN . werkw., overg., wederk.. = Wentelen. T. R. De musch floddert heur in het zand van den weg.

— = Streelen. C. S. T. R. Veel kinderen worden geerne geflodderd. De hond is braaf zoolang hij geflodderd wordt.

— (hebben). = Fladderen, heen en weer bewogen worden. C. Heur kleeren flodderden. Rond iemand flodderen.

FLODDERMUTS, z. nw., vr.. Oude muts. Zij heeft eene groote kap ; op zijde zijn er twee neteldoeken reepkens die stillekens aan van boven tot niet komen ; van achter is er een trensken waar 't lint doorsteekt dat boven op het hoofd toegebonden wordt.

FLOER. z. nw., m. en o.. = Fluweel. C. S. De floer kan tegen den regen niet.

Ook floor.

Bij S. ook vloer.

FLOEREMUIS , z. nw., vr.. — Z. Fleuremuis.

FLOEREN, bijv. nw.. = Fluweelen. C. Een floeren broek.

FLOEREiN) DAMASTEN, z. nw., vr.. — Z. Allerheil gtnblom.

FLOERE NjDAMEN z. nw., vr., meerv.. — Z. F louw e eiken.

— = (Kruidk.) Damastbloem , Hesperis ynatronalis en II. inodora, julienne de Datnas, fam. Crucif..

H. inod. heeft blauwe en purperachtige bloemen.

FLOERGAT, z. nw., o . = Mosbie , helderzwart op den kop en rood op het achterlijf.

Ook roodgat en safraantje.

FLOERKAMMEKEN. FLOERKAPKEN. z. nw., o.. = Bie, helderzwart, blinkend, roodbruin op 't achterlijf en het borststuk.

Ook roodkammeken en roodkapken.

FLOES, bijw.. ~ (Bikkelspel) Recht. De pikkels staan floes.

FLOK, bijv. nw.. Slap, zwak, krachteloos. D. S. Die draad is te flok, neemt liever 'nen dikkeren. Het staat maar flok met zijn gezondheid. Zijn zaken staan maar flok.

Zuidned. zegt V..

Gep. woord. : Flok en flauw zijn , ongesteld, zwak, krachteloos zijn.

FLOK, z. nw., m.. = Dot, doeksken met suiker in, waar de kleine kinderen aan zuigen. I).

Bij D ook fokke.

FLOK, z. nw., m.. - Hurk. D. S. Zij zette heur op heuren flok.

Bij D. ook fokke ; S. ook fok en fak.

FLOKHOUT , z. nw., o.. — Z. Flothout. S.

Zuidned. zegt V..

FLOKKEN, werkw., wederk.. = Zich op den hurk zetten, meest van vrouwen gezeid. D. S. Zij flokte heur bij 't vuur

Bij D. ook fokken.

FLOKKIG, bijv., nw.. = Los, niet vast. Draad die niet genoeg gesponnen of eene kool die te ras gegroeid is, heeten flokkig.

FLONK, z. nw., vr.. = Flink, kaakslag. D. S. T. Zwijgt of ik geef u een flonk.

— = In 't algemeen , iets gemeens in zijne soort. S. Een flonke van een muts. dat wijf is een vuile flonk. Een flonkvan een kat.

Bij D. flok.

FLOOR (zachte o), z. nw., o.. — Z. Floer.

FLOR, z. nw., m.. = Florentius, Floriaan, Florimond. Dikwijls van de voorafgegaan.

Ook Flore en Florre.

FLORANT, bijv. nw. en bijw.. - Rijk, gemakkelijk , weelderijk. Bij 'nen heer alleen weunen is een florant leven veur een meisen.

Ook üorantig.

FLORANTIG. bijv. nw. en bijw.. — Z. Florant. D.

Sluiten