Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

= (Kruidk.) Lychnis sylvaticus, flos plen., compagnon rosé, fam. Caryoph.. D. vertaalt L. sylv. door wielkens enwielkruid.

— = Pikbloem, Lychnis viscaria, fl. plen., bourbonnaisc , ceillet de janséniste, fam. Caryoph..

L. visc. heet ook hollandsche bouquet, plakstelen , rooskens zonder doornen en vetsteelkens.

FRANS(CH)E TROSBLOM , z. nw., vr.. — Z. Bloedige wonden 2°.

FRANS(CH)E ZONNEBLOM, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Callistephus chinensis, reine margnerite, fam. Comp.. D. vertaalt C. chin. door griete, margriete.

Ook margriet.

FRANSCHM AN, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Doei gelijk de Franschman doet, traag in den zak en rap in den hoed.

FRANSIJN. z. nw., o.. = (Kantwerkst.) Spitsel, patroon voor kantwerksters. D. K. membrana Francica.

Zuidned. zegt V..

Z. Francijn bij Verdam.

FRASELEN. werkw., onov. (hebben). - Stamelen, gezeid van kinderen die eerst beginnen te spreken.

— — Kweelen, van den eersten zang der jonge vogels. S. Onze jonge meerlaan heeft al wat gefraseld.

— = Al fraselende spreken. Ik versta u niet, ge moet alzoo niet fraselen.

Bij C. en S. frazelen.

Ook frazelen, prasilen enpraselen.

FRATSEN, werkw., onov. (hebben). Slecht werken. Zoo ongelijk naaien is fratsen, zei de kleermaker. Een boer kan niet timmeren, hij fratst maar.

Ook frotsen.

FRAZELEN, werkw., onov. hebben), selen. C. S.

Z. Fra-

FRED, z. nw., m.. — Alfred.

FREER (zachte e), ?. nw., m,. Frederik.

FREIT, z. nw., vr.. = (Metser) Gemetselde stut aan een gebouw of aan eenen muur, contre-fort. C. S,

— = Boonenstaak die van 't een naar 't ander bed op de gekruiste staken ligt om deze beter recht te houden.

Bij S. ook fraai en frijt.

FRENNIE, z. nw., vr.. —Z. Frinie. C.

Bij K. frengie, frangie en frenie, frinbria.

Z. Fringe bij Verdam.

FRET, z. nw., m.. = Eten, spijs. T. R. Schoone woorden krijgt gij veel, maar geenen fret.

Bij C. freet (zware <•).

FRETTEN, werkw., onov. (hebben). — Gulzig eten. C. D. S. R. Ziet hem eens fretten, hij zou 't geren allemaal opeten.

Bij S. ook fret en en fritten ; bij K. freten — avide comedere.

Spr. : Gefret hebben, slim zijn.

— = (Kaart- en dominospel) Een kaart of eene schijf van den bat nemen. C. S. T.

— = Wreten, van metalen en vochten gezeid. Het roest fret aan het ijzer.

FRETTER. z. nw. Bij C .freter. Ook fretzak.

m.. = Gulzige eter D. S.

FRETZAK, z. nw., m.. — Z. Fretter.

FRIBBEL. z. nw., m.. - - (Wev.) Deel van den draad waar twee einden aaneengemaakt zijn.

FRIBBELAS, z. nw., vr.. Vrouw of dochter die het fribbelen voor stiel heeft.

— = Vrouw of dochter die geerne met nietigheden bezig is, beuzelaarster.

FRIBBELEN . werkw., overg.. = Tusschen de vingers wrijven. C. D. S. Zijn knevels fribbelen. Hij heeft dat papier gefribbeld.

— = (Wever) Aaneendraaien. Nen draad met de vingers fribbelen.

— = De franjen van een vrouwenhalsdoek of van een tapijt draaien en knoopen.

Bij D. ook frubbelen, wribbelen en wrubbelen ; bij S. ook frubbelen.

Ook frubbelen.

FRICADEL (klemt, op del), z. nw., vr. Bol van gekapt vleesch.

FRICANDON. z. nw.. m.. Frikkadelkoek.

FRICO(T) (klemt, op co), z. nw., m.. Eten , spijs. Hoe staat het met den fricot ? Is hij bijkans gereed ?

FRIET. z. nw., vr., altijd in 't meerv. gebezigd.

- - Gril, zotte daad. Zijn frieten krijgen.

Ook hrips, kuur. parrel en uur.

FRINIE, z nw.,vr.. = Franje.

Bij S. frenie.

FRISCH, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoofrisch als een bliek, zeer gezond. Fnsch en gezond, zeer gezond.

— Frisch beteekent dikwijls , gelijk C. zegt, « iets meer dan koel en wat minder dan koud. In September begint het 's morgens al vandeeg frisch te worden. »

— Frissche morgen, i° gewone wensch der schippers ;

— 'nen frisschen morgen, veerman. z° druppel, borrel ; — wij gaan om 'nen frisschen morgen.

FRISSlCHiIGHEID, z. nw., vr.. Frischheid.

— = Drank of eten dat frisch is.

Sluiten