Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FRUTTEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Fippen.

Bij T. fratsen ; bij R. jritsen.

— Fruttens, uitroep om het recht te vragen van te frutten.

FRUTTEREN, werkw.,onov. (hebben) — Z. Fippen.

FUIK, z. nw„ vr., altijd in 't meerv. gebezigd. Ilap..!. Ge zoudt geren die worst hebben, maar ge zult ze in uw fuiken niet krijgen.

Ook funk, fuiker en fuher.

FUIKER, z. nw., m.. = Fuik , lange smalle mand , die men in de watergangen legt of aan de sluizen, om paling te vangen.

FUIKER, z. nw., m . — Z. Fuik.

FUIKERSWISCH. z, nw., vr.. Wisch gebruikt aan de fuiken der visschers

FUKEN (alphab. h kort), werkw., onov. (hebben). — Z. Dopperen. K. fuycken — pellere.

FUKER, z. nw., m.. - Die fuukt.

— Z. Dopper.

FUKEREER (zware e), z. nw., m . = Die fukert.

FUKEREN (« = uu kort), werkw., onov. (hebben).

— Z. Dopperen.

FUKS (11 = wikort), z. nw., m.. — Z Dopper.

FUKSEN (« = uu kort), werkw,, onov. (hebben).

Z. Dopperen.

FUKSER (u = uu kort), z. nw., m.. = Die fuukt.

FURREL, z. nw , m . — Kaakslag, 'k Zal u 'nen furrel geven dat uw kop zal duilen.

Bij S. forrtl.

FUTJESHOIXEKEN .(u ----- uu kort), z. nw , o..

— Uit het futjeshoUeken knippen. Z. Fippen.

FUTSE, z. uw., vr.. — Z. Flotse.

FUTSEL,, bijv. nw. en bijw.. — Z. Fitsel. D. S.

FUTSELEN, werkw., overg. —Z. Wdb.. — = Foefelen, heimelijk verbergen. Hij futselde iets onder zijn vest als ik binnenkwam.

FUUT. tusschenw.. Gebruikt om eene weigering uit te drukken. C.

Bij C. ook frut en fut.

Sluiten