Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GAASLANTEERN, z. nw., m.. Lanteern door gas verlicht.

GAASTANG. z. nw., vr.. Tang dienende tot het vastvijzen van de gasbuizen.

GABBE , z. nw., vr.. = Gapende wonde. D. S. K. incisura.

Gewest, bij V..

Opening, reet in houten ijs. Er ligt een gabbe

in 't ijs.

Ook gawwe.

Bij S. ook goebe en gobbe.

GABBERACHTIG, bijv., nw.. - Genegen tot gabberen. D.

GABBERAS, z. nw., vr.. - Vrouwspersoon dat gabbert.

GABBEREER (zware e). z. nw., m.. = Man of jongen die gabbert.

GABBEREN, werkw., onov. (hebben). — Al lachende babbelen. C. D. S. T. R. K. jocan. Die meiskens zitten al een heel uur te gabberen.

Gep. woord. : Gibberen en gabberen. C.

— Z. Gidderen.

GADDER, z. nw , m.. — Wordt gezeid van menschen, dieren en zaken die weinig weerde hebben of niet deugen. C. S. Een gadder van een kleed. Vrouwken, gij hebt maar 'nen gadder van 'nen vent.

GADDEROOP. z. nw., vr.. — In de spreuk ; Een wezen trekken gelijk een gadderoop , zeer leelijk gezicht.

Het Fr. garderobe ?

GAFFEL,, z. nw., vr.. = (Smid) IJzeren sleutel met twee klauwen, waar men de vijzen mede aan- of losdraait.

Ook gaffelsleutel en klauwsleutel.

GAFFEL, z. nw., m.. — Ergens zijnen gaffel inslaan, zich, zonder reden of noodzakelijkheid, met iets bemoeien.

Bij D. = mond ; bij C. = neus.

GAFFELABLA (klemt, op bla. zuivere a), z. nw., vr.. — Z. Gaffelas.

GAFFELADOO ;klemt. op doo , zachte o), z. nw., vr.. — Z. Gaffelas.

GAFFELAS , z. nw., vr.. = Dochter of vrouw die gaffelt. O ! gij gaffelas 1 in vremde huizen meugt ge aan niets uw handen steken.

GAFFELEER (zware e), z. nw., m.. = Man of jongen die gaffelt.

Ook gajfelpot.

GAFFELEN, werkw., onov. (hebben). = Onbescheiden, nieuwsgierig zijn, geerne zonder nood alles gadeslaan en onderzoeken. Ge zijt weer bezig met te gaffelen in onzen winkel.

GAFFELPOT , z. nw., m.. —Z. Gaffeleer.

GAFFELSCHIP , z.nw.,o,. = (Schipper) Schip met gaffeltuig.

GAFFELSLEUTEL, z. nw., m.. — Z. Gaffel.

GAFFELTUIG. z. nw., o.. = (Schipp.) Zeil dat van boven aan eene rechte gaffel hangt, en waar bijna altijd een vlieger boven staat.

GALANT , bijv. nw. en bijw.. = Kloek van lijf en tevens flink en knap. Een galante soldaat. Een galant meisken Hij gaat er galant over.

—. = Aangenaam , lustig. In den Zomer is 't galant in een bootje te veren.

Ook geiant.

Bij D. galjant ; bij S. gaillant en gallant.

GAL,GALLE , z, nw., vr.. —Z. Wdb..

Vergel. : Zoo bitter als galle.

— Zwarte gal, bloedstorting in de maag, veroorzaakt door eene zweer aan de maag, ulcère de l'estomac, cancer de l'estomac, ulcus ventriculi. C.

GAL BOVEN DE EERDE. z. nw., vr.. = Kruidk.) Duizendkruid , Erythrcea centmirium, fam. Gentian., petite centaurée, gentiane des pauvres. D. ook koortsenbloem en wilde truizelaar.

GALG, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo erg of stout als 't hout van de galg, op een stout kind. Zijn eigen aan de galg klappen , in 't spreken zich verraden. Die reur de galg geboren is, zal op de zee niet verdrinken.

— = (Timmerman) Pompgek. D.

— —. (Wever) Stelsel waarin de geterten in vastgemaakt zijn.

GALGEBROK, z. nw., vr.. = Iemand die boos genoeg is om aan de galg te hangen. V.

GALGELEE DEiR, z. nw., vr.. = Galgladder.

Spr. : Hangen heeft geen haast, zei de dief, en hij stond op de galgeleeder, al lachende , voor het beginnen van een werk.

GALGENHOUT, z. nw., o.. = Slechte kerel, booswicht.

GALJOEN, z. nw., o.. = (Schipper) Bovendeel van den voorsteven op sommige zeeschepen, dat merkelijk verre uitsteekt.

GALNOOT (zachte o), z. nw., vr.. = Vrucht van den wilden kastanjeboom.

GALNOTELEER (zware e), z. nw., m.. = Wilde kastanjeboom.

GALOM (klemt, op lom), z. nw., vr.. = Opening in 't ijs , door den wind of anders veroorzaakt.

Meer kalom, loem en lom.

GALPOP, z. nw., vr.. —Buikzuiverende drank, zeer bitter van smaak. Hij is gemaakt van eenige kruiden die men op jenever of brandewijn steekt. De daartoe meest gebezigde kruiden zijn kwassia, rabarber (wortel), alsem en aloë.

Spr. : 't Is van de galpop , zeer bitter.

Sluiten