Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GAM. z. nw., ?. — Komt voor in de gepaarde woord, met ham en gam, met huid en haar, heel en gansch. De slang slikte de duif in met ham en gam.

GAM, z. nw., vr.. = (Steenbakk.) Stapel gedroogde, maar nog niet gebakken steenen. C. R.

GAMBAAR, bijv. nw . = (Steenbakk.) Die kan gegamd worden, droog genoeg om te gammen, van steen gezeid. Die steen is niet gambaar, hij is niet droog genoeg.

GAMMEN, werkw., overg . = (Steenbakk.) In bekkende reeksen stapelen. Steen gammen. C. S. R.

— onov. (hebben). = (Schipper) Gangen halen, laveeren.

GAMMER. z. nw., m.. = (Steenbakk.) Die de gedroogde steenen stapelt.

GAMWAGEN , z. nw., m.. = (Steenbakk.) Kruiwagen waarop de droge steen vervoerd wordt die gaat gegamd worden. C.

GANG, z. nw., m.. = Het gaan. Z. Wdb..

— Op den gatig zijn, gaande zijn. Slecht op den gang zijn. Vandaag dood ! en gisteren was hij nog op den gang.

— In of aan den gang krijgen, een werk doen beginnen. Als ik hem in den gang kan krijgen van klappen , zal hij niet meer zwijgen.

— In of aan den gang zijn , bezig zijn. Hij is in gang om zijn pak te maken.

Zuidned. zegt V..

— In gang zetten, in beweging brengen, van een werktuig. Zet den meulen maar in gang.

Zuidned. bij V..

Ook in gang bringen.

Zuidned. bij V..

— Veel gang ophebben, rap, vlug gaan.

— Nen gang gaan, i° snel voortvaren, C. T. R. ; — zie 'nen keer wat gang dat de luchtbal gaat.

2° Weggejaagd worden, C. T. R. ; — als de knecht nog eens te laat te huis komt, zal hij 'nen gang gaan. 3° Verkwistend leven, C. ; — gij zult hem 'nen gang zien gaan, als hij zijn erfdeel getrokken heeft.

— Laten gaan dat gang heeft of gelijk het gang heeft. er zich niet verder om bekommeren. C. Als ik nog

• eens misluk in mijn examen, dan laat ik gaan dat gang heeft.

— Zijn gangen gaan , zijnen weg vervolgen. D. Trekt u ons werk niet aan en gaat uw gangen.

Zuidned. zegt V..

— Op gang gaan of zijn ; op reis gaan , op reize zijn. C. T. R. Hij is op gang om een beest te koopen,

— Op gang zijn, te verwachten zijn. Er is kwaad weer op gang.

— = (Boer) Afdeeling op de lengte van een stuk land dat op eene zelfde breedte gespit is. De

breedte van eenen gang is zooal eene roede tot eene roede en half.

Ook streep.

Z. Verdam, 908, 10).

— = (Boer) Stuk land dat als hof dient en waar meestal aardappels op groeien.

Ook patatgang.

— Z. Deel.

— — Beweging , leven. Er is geen gang in mijn vier.

— = Aftrok , vertier, van koopwaren. Daar is geen garig meer onder de noten.

— = (Brouwer) Lange ladder waar men de tonnen mede omhoog haalt.

— = (Wever) Verzameling van twee pezen uit verscheidene draden samengestefd.

Z. Verdam , 909, i5).

— = (Schipper) Weg dien een schip in .dezelfde richting aflegt, wanneer het laveert. Gangen halen , laveeren.

— = Al de tanden of kammen van een wiel. Hij geraakte in den gang en was gepletterd.

— = Breede plank dienende als weg over eene gracht of naar een schip.

Z. Verdam , 909, 14).

GANS, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Maakt dat de ganzen wijs (die loopen berrevoets), dat geloof ik niet. Met iemand de gans rijden, met iemand den zot houden. Dat is veur de ganzen niet gemaakt, dat dient ook tot iets, dat is niet gemaakt om voor niets te dienen. Hij is maar goed om de ganzen te wachten, van eenen domme of onbehendige. Als de ganzen water zien, hebben ze dorst, de drift ontstaat bij de gelegenheid om die te voldoen.

GANSKENSSPEL. z. nw., o.. == Ganzenspel. Z. d. woord, in Wdb..

GANZEGAT , z. nw., o.. — Z. Wdb..

Vergel. : Zoo bloot als een ganzegat, bij 't kaarten , als nevens den ondersten troef er geene andere troefkaarten liggen. Heitr mond gaat gelijk een ganzegat, zij doet niets dan babbelen.

GANZEN, werkw., onov. (hebben). = Het ganzenspel spelen. C.

GANZENEI, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Dienaar 't ganzenei pakt, verliest het hinnenei, door te veel te willen, lijdt men dikwijls schade.

GAPEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb..

Spr. ; Gapen gelijk een koe, zeer wijd. Dat gaapt gelijk een oven, is zeer klaar. Te wijd gapen, teveel vragen. 7 Is maar een gapen en een inslikken, 't is een werk dat gemakkelijk is of weinig tijd vraagt.

GAPER, z. nw., m . = (Boer) Voor die men bij het spitten wijdopen laat staan. Nen gaper toespitten. Nen gaper trekken (maken1.

GAR, bijw.. = Weg, terzijde. C. Maakt u gar, want ik kom af.

Sluiten