Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spr. : Hij heeft vatten en hij kan gar, dat hij zich zeiven behelpe.

Bij T. gaar.

GARDE, z. nw., m.. Bediende der accijnzen.

Spr. : U bij den garde laten trekken, u laten bedriegen.

GARE, bijw.. = In 't geheel, gansch , zuiver. C. Hij is gare veur niets goed.

Bij Verd. gaer en gare.

GAREN, z. nw, o.. — Z. Wdb..

Spr. : Naar iemands garen komen, iemand aanpakken, aanvallen. Iemand in 't garen jagen, iemand ophitsen , tot twist, tot drift aanzetten.

GAREN, werkvv., overg.. = Gaderen.

Gep. woord. : Garen en sparen, zeer profijtig leven.

— r= (Marmelspel) De marmels van eenen gezel, terwijl deze speelt, oprapen en bij zich houden. Wilt gij voor mij garen ? op 't einde van 't spel geef ik u dan twee marmels.

— = Nestelen, nest maken, van de vogels gezeid De musschen beginnen al te garen, ik heb daar een gezien met een pluimken in heuren bek.

GARENKODDE. z. nw., vr.. = Lange effen stok waar men het garen op te drogen hangt.

GARENMARKiT, z. nw., vr.. Markt waar garen te koop gesteld wordt. C. D.

Spr. : 't Is er precies een garenmarkt, er wordt veel gepraat en gerucht gemaakt.

GAREN WIJF. z. nw., o.. = Vrouw of dochter die op de garenmarkt hun gesponnen garen te koop bieden.

GARENWOL, z. nw., vr.. = (Wev.) Fijnste pluisjes die, bij 't scheren , van de draden afvallen. De garenwol valt onder 't getouw. Men vult er bedden mede.

GARLAGOOTJE, z. nw., o.. = Gootje, ril. In de steenpaden die wat afhellen naar eene goot, zijn er dikwijls rillekes die het water gemakkelijker voortleiden, zij heeten garlagootjes.

GARRE, z. nw., vr.. -- Spleet, reet, lange en enge opening. D. S. Er is een garre in de plank.

Bij V. gewestelijk.

Ook garrel, gerre en gerrel.

GARREL, z. nw., m.. — Z. Garre.

GAiRiS , z. nw., o.. = Gras. C. D. S. K. gramen.

Bij Verdam gerse, garse, graze, gaerse, gers, geers , geirs, gars , gaers.

Spr. : Zoo groen ah gars. Het gars van onder iemands voeten maaien, iemand met iets voor zijn. Gars geven, driftig te werke gaan. Ge meugt daar geen gars laten over groeien, ge moet aanstonds handelen en niet uitstellen. Houd u aan 't gars, tracht gezond en kloek te blijven.

GA(R;SBEEST . z. nw., vr.. = Hoornbeest dat op eene weide gevet werd. D. Het vleesch van de garsbeesten is nogal taai.

Ook weibeest

GA(R)SBLOM, z. nw.,vr.. = iKruidk.) Zandanjer, Statice armeria, gazon d'Olympe, gazon d'Espagne , fam. Plumbag. D.

Ook garsdod.

GA'RSDOD, z. nw.,' m.. = Eenige graspijlen samen.

— Z Garsblom.

GA(R)SDUIKER. z. nw., m.. = Stront, menschendrek. C. S.

GA(R)SGROEN, bijv. nw.. — Zoo groen als gras. C. D. S. Rooit die appelen weg, jongen, gij ziet wel, ze zijri nog garsgroen.

Ook ga(r)zegroen.

GA(R SHUL, z. nw., m.. = Hoop graspijlen die boven 't overige uitsteekt. D. S. De haas zat te loeren in 'nen garshul.

GA«R)SKANT. z. nw., m.. = Onbebouwde en met gras begroeide zoom rond eenen akker. C. D. S. De konijnenmelkers trekken dikwijls eten in den garskant.

Ook kant.

GAl RlSLEEU WERK. z. nw., m. en vr.. (Vogel) Soort van pieper, anthus arboreus, pipit des arbres.

Ook kantleeuwerk.

GA(R)SPEE, z. nw., vr.. — Z. Peeën.

GA(R)SPIEPER, z. nw., m.. = (Vogel), Soort van pieper, Anthus pratensis, pipit des prés.

Ook piepelivg , pieper en pijpeling.

GA(R)SPIJL , z. nw., m.. = Graspijl. grashalm,

C. D.

GA(R)SPIK, z. nw , vr.. = (Boer) Pik om gras af te snijden. Zij is kleiner dan de graanpik en gewoonlijk zonder punt.

GA(R SSMEI, z. nw., vr.. — (Vogel) Mareca fistularis, canard siffleur.

Ook smei, smeier en vos kop.

GA(R)SSNEP, z. nw., vr.. — Z. Baret.

— Z. Boschsnep.

GA(R)ZEGROEN, bijv. nw.. — Z. Garsgroen.

GA(R)ZEKEN, z. nw., o.. = Een graspijl. D. Hij pitste met een garzeken in mijne oor.

GA(R)ZIG, bijv. nv/„ — Grasrijk, wel begraasd.

D. K. gramineus. Aan den akker is een heel garzige kant.

GASLAAGSTER, z. nw., vr.. = Kraambewaarster, baker.

Sluiten