Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEKOORD, bijv. nw„ = Met koorden gebonden.

Komt in de gep. woord, gehoord tn gebonden. Hij kwam gekoord en gebonden in 't gevang.

Spr. : Ik ben niet gehoord en gebonden, ik ben vrij , ik kan doen wat ik wil.

GEKOTER, z. nw., o.. = Het koteren. Met al uw gekoter is de stoof uitgegaan.

Bij C. gekeuter.

GEKOUTIG, bijv. nw.. = Koutzaam, spraakzaam. S. 't Gebeurt niet veel op een jaar dat hij zoo gekoutig is als vandaag.

Ook gekoutzaam en gekoutzamig.

GEKOUTZAAM, GEKOUTZAMIG. bijv. nw.. — Z. Gekoutig.

GEKRAK, z. nw., o.. = Het krakken. Ik hoorde een gekrak boven mij en liep weg.

GEKR AWIETEL. z. nw., o.. = Het krawietelen. Als 't heet is , is 't éen gekrawietel van de kinderen in 't zand.

GEKRIEBEL, z. nw., o.. =Gekriewel.

GEKRIEP , z. nw., o.. = Het hriepen. D.

GEKRIJZEL , z. nw., o.. = Het brijzelen. D. S. Er is zand in de sala, ik en kan het gekrijzel niet meer verdragen.

GEKROCH, z. nw., o.. = Het krocht». C. Ik hoorde zijngekroch , als hij den zak opnam.

GEKUIFEL, z. nw., o.. = Het kuifden. Uw gekuifel zou doen zeggen dat ge in geen twee dagen geëten hebt.

GEKWANSEL, z. nw., o.. = Het kwanselen. Pas op dat ge met uw gekwansel de soep niet stort.

GEKWEIKEL, z. nw., o.. = Het hweikelen.

GEKWEST , GEKWET. — Zooveel als God weet, questie. Gekwet of ik morgen niet naar huis mag gaan.

Ook getwit. kwest, kwet.

GEKWETTER, z. nw., o.. = Aanhoudend ge- j kweel.

Zuidned. bij V..

GEKWIKKEL. z. nw., o.. = Kleine woordenwisseling , krakeel. Van dat gekwikkel zal vechten komen.

— = Ongedurigheid, heen en weer geloop. C.

— = Ge wiegel. Laat uwen stoel staan, ik ben uw gekwikkel beu.

GELAAG, z. nw., o.. = Steenbakkerij met heel haren aan- en afhang : putten , logies, pletsen, ovens , enz., enz.. S.

Bij C. gthg ; bij S. ook geleeg.

GELAAGPUT, z. nw., m.. = (Steenbakk.) Put waar de steenbakkers hunne aarde uithalen of uitgehaald hebben.

GELA(D)EN, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo geladen als een ezel.

— Scheef geladen zijn, dronken. C.

GELANDE , z. nw., m. en vr.. — Z. Wdb..

Men is in de Polders groote gelande, als men kan gekozen worden in het Polderbestuur ; kleine gelande , als men alleenlijk kiezer is. Dat hangt af van het getal hectaren waar men eigenaar van is, en van den polder waar het land in ligt.

GELANT, bijv. nw.. — Z. Galant.

GELANTERFANTEL, z. nw., o.. = Het lanterfantelen. Ze is overal gekend om heur gelanterfantel.

GELARIUM. z. nw., m.. = (Kruidk.) Pelargonium zonale, P. inquinans, geranium cultivé, fam. Geran..

Ook geranium en gerarium.

GELAS , z. nw., o.. = Glas. C. K. vitrum.

Z. Verdam.

GELAT , bijv. nw.. = Glad. K. lubricus. Een gelatte straat.

Z. Verdam.

GELATEN, werkw., wederk.. = Voorgeven, veinzen. V. C. T. R. U doof gebaren.

GELATTIG, bijv. nw.. = C. D. S. T. De weg ligt gelattig. Een gelattige baan.

GELAZEN, bijv. nw.. = Glazen. C. S. Een gelazen deur.

GELAZE(N)MAKER, z. nw., m.. Glazen maker. C.

Z. Verdam.

GELD, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Veur geen geld van de uiertld, te geenen prijze. Men zou geld geven om u te zien , zegt men tot iemand die zeer zelden een bezoek brengt. Met Int geld koopt men de boter, met het geld koopt men wat men noodig heeft of begeert. Geld bij de boter, er dient betaald te worden. Het geld verzacht den arbeid. Geld wilt bij geld zijn, de rijken hebben meest kans. 't Geld is allemans vriend. Zonder geld wordt ge niet geteld. 't Is beter geld bij de waar als de pastoor veur borg. Hij zegt veel waar de koster of de pastoor geen geld van trekken, hij liegt veel. Zonder geld is zonder zinnen. Geld in 't water smijten, nutteloos verkwisten, 't Geld is rond en gemaakt om te rollen of en moet zijnen gang hebben. Het geld dat stom is, maakt recht dat krom is. Een ezelhen hebben dat geld schijt. Z. Ezel. Het geld groeit op mijnen rug niet, ik heb het niet als ik het begeer en zonder moeite. Het geld helpt zijnen meester in de hel en 't blijft er zelf uit. Ik en kan er mijn geld niet uit maken, ik versta dat niet. Het regent geld, wanneer, na een lange droogte, er een malsche regen valt. De steenen roepen om geld, zonder geld is er niets te krijgen. De pastoor doet geen twee missen veur éen geld , ik zeg mijne woorden geen twee keeren. Geld van iets maken, ten gelde maken. Geld

Sluiten