Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

winnen gelijk slijk, gemakkelijk en veel. Geld bieden veur iets , eenen prijs voorstellen.

— = (Kaartspel) Troefkaarten.

Ook koopers, snijders en stekkers.

GELD, z. nw., o.. = (Kruidk.) Judaspenning, Lunaria biennis , herbe aux éctis , médaille de Judas, fam. Crucif.. D. vertaalt L. bien. door zonneschokhen.

Ook plakettenkruid.

GELDING (uitspr. gelling), z. nw., vr.. = Aftrok, prijs, weerde. Er is geen gelding in 't vlas dees jaar.

GELDMUNT, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Hij heeft een geldmunt op zijn eigen , hij is een potter.

GELDZAK, z. nw., m.. = Gierigaard. Iemand die zeer driftig is naar geld.

GELE EBBEN, z. nw., m.. — Z. Ebben.

GELEERD (scherpe e), bijv. nw.. = Kunnende lezen en schrijven. C. R. K. peritus legendi et scribendi.

Geen letter geleerd zijn, geheel ongeletterd zijn. C.

— Geleerd zijn, door ondervinding wijs geworden zijn. C. D.

GELEE R SD (zware e), bijv. nw.. = Gelaarsd. Z. Wdb..

Gep. woord. : Geleersden gespoord, gansch gekleed ; gansch gereed. C. Hij lag geleersd en gespoord in zijn bed. Ik sta geleersd en gespoord om te vertrekken.

Z. Verdam.

GELEES (zachte «), z. nw., o.. = Het lezen. C. D. Het gelees van de beevaarders.

GELE FLOEREDAMEN , z. nw., vr., meerv.. = (Kruidk.j Erysimum barbarea , flos plen., julienne jaune; fam. Crucif..

GELE HAZEBLOM, z. nw., vr.. — Z. Dering 2°.

GELEI. GELEIT , z. nw., o.. = Langste roggestroo dat, schoon gelijkgeschud , in kleine bundels gebonden wordt en dient om de daken te dekken of vlas te binden. K. ghelyt, gheluye, gluye = fascis stramentorum. Bij de begrafenis van 'nen edelman bestrooit men de straat tot in de kerk met gelei.

Bij D. gelei en glei: bij S. gelei en glei.

Ook gelui.

GELEIERWERK, z. nw., o.. = Gleiswerk , vaatwerk van fijne witte aarde met tinasch verglaasd, faïence. D. S.

Bij D. ook gleierwerk.

Ook geleierwerk en gleierwerk.

Zuidned. bij V..

GELEIT, z. nw., o.. — Z. Gelei.

GELEIWERK, z. nw., o.. —Z. Geleierwerk.

GELEKNOOPENBLOM, z.nw..o.. = (Kruidk.) Goudsbloem, Calendula officinalis, souci des jardins, fam. Comp..

Ook goudblom en stinkende goudblom.

GELEKT , bijv. nw.. — In de gep. w. gelekt en gestrekt. Het en kan niet altijd gelekt en gestrekt zijn : 't kan niet altijd gansch in orde zijn , 't kan niet altijd zoo nauw van pas zijn. Hij staat gelekt en gestrekt, gansch in orde, gekleed. Gelekt en gestreken, heel zuiver. Alles in de kamer was gelekt en gestreken.

GELEKUIPKENS, z. nw., o., meerv.. — Z. Kapeeien.

GELE LISCHBLOM , z. nw., vr.. — Z. Geel lelieken.

GELE MEIROOS (scherpe o), z. nw.. — Z. Aprilroos.

GELEN (zware e), werkw., onov. (zijn). = (Brouw.) Gijlen.

GELENT, z. nw., o.. = Afsluiting in hout, lattenhek. C. D. K. ghelente, ghelinte en glente — sepes.

Bij C. ook gelint; bij D. ook galent en glent; bij S. gelint.

GELENTIG, bijv. nw.. = (Vlas) Rijk aan vezels , van het vlas gezeid.

GELE PLUIMOKELEI. z. nw., vr.. = (Kruidk.) Waterruit, Thalictrum flavum, rue des prés, fam. Ramm.

GELEREGEN, z. nw., m.. — Z. Ebben.

GELERIJSPAP , z. nw., m.. = (Kruidk.) Muurpeper, Sedum acris, orpin blülant, fam. Crassul.. D. vert. S. acr. door goudmijn.

GELE STOFFELIEN, z. nw., m.. = (Kruidk.) Steenviolier, Cheiranthus cheiri, giroflée des murailles, giroflée jaune, violier, jalousie, fam. Crucif.. D. vertaalt Ch. cheiri onder andere, door flier, giroffel, violier.

GELE TINGEL, z. nw. m.. = (Kruidk.) Gele hennepnetel, Galeobdolon luteum, ortie jaune, fam. Lab..

Ook goudtingel en wilde tingel.

GELEURD, bijv. nw.. = Uit lurren, lappen en vodden bestaande. D. Die schooier was heel geleurd.

Gèp. woord. : Geleurd en gescheurd. D. Zijn kleeren waren geleurd en gescheurd.

Ook gelurd.

GELEVERD, bijv. nw..— Geleverd zijn , gefopt, bedrogen zijn. C. We zijn geleverd met ons nieuwe koe, ze geeft maar twelf liters melk.

GELE VERGIFBLOM, z. nw.,o.. = (Kruidk.) Eschscholtzia cali/omica, californie, globe du soleil, fam. Papav..

Ook tien-urenblom.

GELE WIJMEN, z. nw., o., meerv.. = (Kruidk.) Wederik, Lysimachia vulgaris. lysimaque commun, fam. Primul..

Ook wijmblomta wilde wij men.

Sluiten