Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— = Aannemen. Wilt gij dezen appel ? Neen , ik en geer hem niet, want hij is rol.

Raadsel op het snot : de armen geren 't niet en de rijken steken 't in hunnen zak.

Z. Verdam.

GERE(N), bijw.. = Gaarne. C.

— Ik zou niet geren, zegt men elliptisch voor . ik zal er mij wel voor wachten. Gaat ge naar de stad weunen ? —■ Ik zou niet geren.

— Geren heiten, met een z. nw. tot voorwerp , behagen vinden in iets te hebben. C. D. Ik heb geren heete soep.

— Geren hebben, met een z. nw. tot voorwerp dat door een hoedanigheidsw. bepaald wordt, lusten, verkiezen. C. Ik heb de soep geren koud.

— Geren hebben, gevolgd van dat met eenen voorwerpszin, er op gesteld zijn, begeeren. C. D. Ik heb geren dat ge mijnen zeun wat aantrekt.

— Geren zien, er van houden, beminnen, liefhebben. C. D. Ik zie geren de schilderijen van Memlinc. Een braaf kind ziet zijn moeder geren.

Zuidned. bij V..

GEREPS , z. nw., o.. = Het repsen.

GEREUZEL, z. nw., o.. = Het reuzelen. C. D. S. Het gereuzel van de muis in het papier deed mij verschrikken.

GERF, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Gerwe, Achillea millefolium, millefeuille , fam. Compos..

Bij D. gerve , gerwe en gervel.

== spiroea filipendula. flos plen., fam. Rosac..

GERGENAAT, z. nw., m.. = Garnaal.

GERIEF, z. nw., o.. = Hetgene men noodig heeft om toe te komen. C. D. S. Wij hebben dees jaar zoo weinig appels dat we ons gerief niet zullen hebben.

: _ Zaken die geriefelijk zijn, die te pas komen.

C. Ik heb daar 'nen hoop oud ijzer gekocht en daar is veel gerief bij.

_= Gereedschap, alm. C. D. T. R. Ik zou wel werken, zei de metser, maar ik en heb mijn gerief niet.

Spr. : Goed gerief is de helft van 't werk.

Keus, wat men verkiest. Ik vond mijn gerief in

dien winkel niet en gong naar de markt. GERIEFSTAL , z. nw., m.. = Stal waar het ge-

reedschap in staat.

GERIEKEN, werkw., overg.. = Rieken , ruiken, den reuk van iets ontwaren. D. Er schroeit iets,

ikgeriekhet.

Spr. : Iemand niet kunnen gerieken, niet kunnen

verdragen.

Rieken is onoverg. en beteekent reuk van zich geven.

Bij Verdam : « Men ziet duidelijk dat het thans gemaakte onderscheid tusschen rieken en ruiken niet gelegen is in het wezen der taal, daar rieken

in 't mnd. geheel en al de bet. van ons ruiken heeft, met een pers. als ondw. »

GERIEVEN, werkw., overg.. — Iemand van of in iets gerieven, hem zóóveel er van geven als hij noodig heeft.

Zuidned. zegt V.

GERIJKOT, z. nw., o.. = Plaats voor het rijtuig en andere voertuigen.

GERING , bijw. = Gansch. De sneeuw is gering gesmolten.

Ook reen.

GERNAART, z. nw„ m.. - Z. Geernaart.

GERNAAT, z. nw., m.. — Z. Geernaart. C.

GEROEFEL, z. nw., o.. = Het roefelen. Het geroefel van den trommeleer.

GEROKEL, z. nw., o.. = Het rokelen. Waarom dat gedurig gerokel in 't vier ?

GERONK, z. nw., o.. = Het ronken. D. Hoort ge 't geronk van de muggen in de kamer ?

GEROOI, z. nw., o.. = Het rooien. C. Het gerooi met die steenen moet ophouden !

GEROOST, z. nw., o.. = (Vleeschhouw.) Klein

gekapt vleesch dat geperst wordt. Geroost zegt men al lachende , is vleesch dat aan den haak niet hangen kan.

— (Boomveller) Kleine brokskens die, bij het vellen des booms, van het gat afgekapt worden.

GEROTEL, z. nw., o.. = Het rolclen. D.

GEROTS, z. nw., o.. = Het rotsen. C. t Is hier alle dagen een gerij en gerots zonder afhouden.

GERRE, z. nw., vr.. — Z. Garre. D. S. K. rima.

GERREL . z. nw., m.. — Z. Garre. S.

GERRIEBLOM, z nw., vr . — Z. Gerf.

GE(RjS. z. nw., o.. = Gras. C. S.

GERUCHT , z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Van geen klein gerucht verveerd zijn, in geen klein gerucht verschieten , stout zijn.

GERUIZEMUIS, z. nw., o.. = Geroezemoes, klein, aanhoudend gerucht, veroorzaakt b. v. door het verzetten van de voeten , het verplaatsen van voorwerpen. C.

GERUST, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo gerust ah een lam. Dc geruste is maar gerust zoolang de ongeruste wilt.

levers gerust in zijn, er niet om bekommerd zijn,

denken dat alles wel gaat. C. D. Ik ben niet gerust in mijnen man, hij blijft zoolang weg.

Bij V. gerust zijn op.

— Iemand gerust laten , met rust, met vrede laten. Laat mij gerust, want uw gedurig gevraag verveelt mij.

Zuidned. bij V..

Sluiten