Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Gerust mengen zijn , zeker houden. Ge meugt gerust zijn dat hij zal kommen.

Ook gnist.

GERUSTIGHEID, z. nw., vr.. = Gerustheid. C. D. S.

Ook grustigheid.

GERUT , z. nw., o.. = Het rutten. Ik ben uw gerut zoo beu als kouden pap.

GESAAL, z. nw., o.. = Het salen. Het gesaal van 'nen dronkaard.

GESAFFEL. z. nw., o.. = Het saffelen. Het gesaffel van grootmoeder.

GESAKER . z. nw., o.. = Het sakeren.

Bij C. gesakker.

GESCHAAKT, bijv. nw.. — De vruchten zy\t\. geschaakt , wanneer de bloesem in vrucht is overgegaan.

Ook gespeend.

GESCHAR, z. nw., o.. — Het scharren. C.

GESCHEEPT, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : Die gescheept is , moet veren, op iemand die in een slechten, niet te veranderen toestand komt.

GESCHEIR, z. nw., o.. = Het scheiren.

GESCHEL, z. nw., o.. — Het schellen. Ik verdriet mij aan 't geschel van die kleine patatjes.

GESCHELPT, bijv. nw.. = Schelpvormig gespikkeld , van duiven gezeid. C. Een geschelpte duif.

GESCHEMEL, z. nw., o.. = Het schemelen. C. Het geschemel van de zon in de oogen.

Zuidned. bij V..

GESCHERPSEL, z. nw., o.. = (Muld.) De verschillende panden, verdeelingen van den steen. Het gescherpsel moet vernieuwd worden.

GESCHIK, z. nw., o.. — Goede vorm, fatsoen. Aan uwen hoed is geen geschik. Wie heeft die broek gemaakt ? Ze is heel en gansch zonder geschik.

GESCHIKKEN, meest in de onbep. wijze met kunnen, werkw., overg.. - Van zich verkrijgen, over zijn hert krijgen. Ik kan 't niet geschikken te gaan wandelen zonder te weten waarom.

GESCHILDERD, bijv. nw. en bijw.. Buitengewoon schoon. Een geschilderd peerd. R.

— Geschilderde haart, kaart met een prentje, aas, heer, vrouw en zot. C. T. R.

— Z. Gegoten.

GESCHINKELD, bijv. nw.. = Van schenkels voorzien. Een goede melkkoe is wel geschinkeld.

GESCHODDER, z. nw.,o..= Het schodderen. T. R.

GESCHOEF, z. nw., o.. = Het schoefen. Uw geschoef in andermans huis zou doen gelooven dat gij hier geen eten krijgt.

GESCHOEFEL, z. nw., o.. — Het schoefeleu. O. Z. Geschoef.

GESCHOMMEL. z. nw., o.. = Het schommelen. Dat geschommel zou doen peizen dat ge luizen hebt.

GESCHOREN, bijv. nw.. — Met iets of iemand geschoren zijn, er mee bedrogen zijn. C. T. R. Mijn vrouw is lui, maar 't is te laat, ik ben er mee geschoren.

— Vies geschoren zijn, slecht geluimd. T. R. Hij was vandaag maar vies geschoren.

GESCHOST, bijw . —In iemand geschost zijn, bang zijn van , gegeneerd in.

GESCHOT, z. nw., o.. = Opbrengst, voortbrengsels, vrucht, sprekende van vruchten, granen, enz.. K. prorentus. Ik en plant zulke patatten niet, er is te weinig geschot aan. Op duistere Zomers geeft het graan niet veel geschot.

Z. Verdam, 4).

— = (Kaartspel) Telkaarten. Ik heb wel veel slagen, maar daar is geen geschot in.

— = Belasting, schot. D. Komt voor in dijhgeschot.

Zuidned. bij V..

GESCHOT, z. nw., o.. =Pijn in den rug, lumbago. S.

Bij V. «stekende pijn in de zijde. »'

GESCHOTELD, bijv. nw.. = Ingebogen , holrond , concave. De bodem van sommige rijtuigen is geschoteld.

GESCHOTTIG, bijv. nw.. = Veel opbrengst leverende. Het gewindekoorn is niet geschottig.

GESCHRAAG, z. nw., o.. — In de gep. woord. : een gevraag en geschraag, een gedurig vragen.

Ook gestraaf.

GESCHREE . z. nw., o.. = Het schreeen.

GESCHREEP, z. nw., o . = Het schrepen. Het geschreep van een mes op ijzer is onaangenaam.

GESCHREEUW), z. nw., o.. - Z. Wdb..

Spr. : Veel geschreeuw, maar weinig wol, zei de duvel, en hij reed op een verken, of zei de boer, en hij schoor zijn zwijn.

GESCHRIFTE, z. nw., m. of vr.. —Halve geschrifte , man of vrouw die niet ten volle hunne zinnen hebben.

GESCHRIFTSEL, z. nw., o.. = Al het geschrevene.

GESCHROEP, z. nw., o.. = Het schroepen. Zijn geschroep maakt zijn vader bij de vrienden beschaamd.

GESCHUP, z. nw., o.. = Het schuppen. Ik hoor geschup op de deur.

GESESTIGEN, z. nw.. = Zestig te samen.

Ook getsestigen.

Sluiten