Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— — iTimmerm.) Span , zaagraam.

— = Gewelfsel van den oven.

Bij K, : « gespan oft welfsel van den zolder. »

GESPARIG, bijv. nw. en bijw.. = Spaarzaam, zuinig. D. S. K pareus. Ge moet gesparig zijn aan of met de kolen. Gesparig leven.

Z. Verdam.

GESPEEND (zachte «), bijv. nw.. — Z. Geschaakt. C.

GESPEET, z.nw., o.. = Het speeten.

GESPIKKELDE MADELIEF, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Bellis perenne, paquerette vivace a feuilles panachées, fam. Compos..

Deze is eene hofbloem, de dijkbloem niet.

Ook hofmadelief.

GESPIN, z. nw., o.. — Komt voor in de spr. : Eerste gewin is kattegespin of kobbegespin.

GESPLENTERD, bijv. nw.. = (Smid) Kleine uitstekende vezels vertoonende, van het ijzer.

GESPLETTERD, bijv. nw.. = (Vlas) Van veel vertakkingen voorzien. Als de kop van 't vlas gespletterd is , komt er weinig lint van.

Ook getakkerd.

GESPONNEN, bijv. nw. — Z. Gedraaid.

GESPOORD, bijv. nw.. — Z. Geleersd.

GESPOTTERD , bijv. nw.. - Met kleine vlekskens bedekt, gebloemd , met verschillende kleuren versierd. D. Een gespotterde koe. Er zijn peerden, hennen, eieren die gespotterd zijn.

GESPRAAKZAAM . bijv. nw.. = Spraakzaam. K. affabilis.

Bij C. en D. gespreekzaam.

Weinig gebruikelijk bij V..

• Ook gespraakzamig en spraakzamig.

Z. Verdam.

GESPRAAKZAMIG. bijv. nw.. — Z. Gespraakzaam.

GESPUCHEL. z. nw., o.. = Het spuchelen.

GESPUK, z. nw., o.. = Het spukken.

GESTAAN , bijv. nw.. — In de gep. woord. : gestaan en gelegen. Ik zal u zeggen hoedat de zaak gestaan engelegen is. C. K situs.

— Komt ook voor in aankondigingen en koopakten. C. Een hoeve gestaan en gelegen

— Er gestaan hebben (met zijn zweeters of zweetvoeten), gestraft of bekeven worden, in ongenade vallen. C. S. R. Hij maakte in ons huis te veel beslag, hij heeft er nu gestaan met zijn zweeters.

GESTA(AT SEL, z. nw., o.. == (Vinker) Koordekens die men van onder en van boven aan een net, in zijne lengte genomen, vastmaakt, om te beletten dat de mazen openscheuren.

GESTAMPT, bijv. nw. en bijw.. — Gestampte boer. lompe boer, lompe kerel. C.

— Gestampt vol, ganschvol. C. S.

GESTAPELEERD, bijv. nw.. = Kort van gestalte , maar struisch en dik. C. K. constans ,firmus. Een gestapeleerd manneken.

GESTEKEN. bijv. nw.. — Gesteken roode saai. rood met wit doorsponnen. Gesteken bruine saai, bruin met wit doorsponnen.

— (Bakker) Gesteken brood, brood waar fijne en grove deeg onder malkander gekneed is. C.

— - ; Wormstekig. Gesteken patatten zijn slecht om eten.

GESTEKKERD, bijv. nw.. — Z. Gestokkerd.

GESTELD, bijv. nw.. — Geluimd, gezind. Hoe was hij gesteld ?

— = In slechten staat. C. Als hij uit de gracht kwam waar hij in viel, was de man leelijk gesteld.

GESTEPER. z.nw., o.. = Het steperen. Mijn gesteper helpt niet, het vuur wilt niet branden.

GESTER , z. nw., m.. — Z. Gaster. K. scintilla.

'GESTEREN, werkw., onov. (hebben). — Z. Gasteren.

GESTOEPT, bijv. nw.. = Ineengedrongen, opeengepakt, van de gestalte. Een kort gestoept manneken.

GESTOFT, bijv. nw.. — Altijd met kort gebezigd. Kort gestoft zijn, kort van stof, licht gram.

GESTOKKERD, bijv. nw.. — Wordt gezeid van jonge vogels die pluimen beginnen te krijgen. Gestokkerd zijn staat tusschen padder zijn en vlug zijn. De vogels zijn enkel gestokkerd of dobbel gestokkerd, volgens dat de pluimkens min of meer uitgeschoten zijn.

Ook gestekkerd.

GESTOLENWEG, bijw.. = Heimelijk, tersluiks. Hij kwam gestolenweg eens in huis zonder éen woord te zeggen.

GESTOORD (scherpe o) bijv. nw.. = Verstoord, kwaad, boos. K. commotus ad iram. Ge zijt rap gestoord.

Zuidned. bij V..

Z. Verdam, 3/.

GESTRAA.F, z. nw., o.. = Het straven.

GESTRAFT, bijv. nw.. — Met iets of iemand gestraft zijn of zitten, last hebben van, er door(geplaagd , gekwollen worden. C. Ze moest zij met Jan trouwen, ze is nu veur geheel heur'^leven met 'nen dronkaard gestraft.

Ook gezeerd zijn met.

GESTREEPT (zachte e), bijv. nw.. —Z. Wdb..

Spr. : De lucht is gestreept, 't zal morgen waaien.

Sluiten