Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEZEVENEN , z. nw.. = Zeven le zamen. C. D.

Zuidned. bij V..

GEZEVENTIENEN, z. nw.. = Zeventien te zamen. S.

GEZICHT, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Een gezicht trekken gelijk een pannekoek , gelijk een sauspanneken, bedrukt, deerlijk.

— Een gezicht trekken of zetten, verbaasd opzien. C.

— Dient om zelfst. naamw. te maken met namen van menschen en dieren. Die naamw. beteekenen een gezicht dat gelijkt op het wezen van den persoon of van het dier die in de samenstelling voorkomen. Zoo oud-wijvengezicht , jongensgezicht, meiskensgezicht, apengezicht, enz..

Hetzelfde geldt voor wezen.

GEZIND, bijv. nw.. = Welgezind, opgeruimd, vroolijk , tevreden. D. Hij zag er gisteren gezind uit.

GEZJAK. z. nw., o.. = Het zjakken.

GEZO(D)EN, bijv. nw.. — In de gep. woord. : Gezoden en gebraden. C. S. R. Ergens gezoden en gebraden zijn of zitten, er gedurig zijn.

GEZOLDERD, bijv. nw.. — Als iemand, bij 't nemen van eenen snuif, dikwijls niest, zegt men : uw neus is nog niet gezolderd.

GEZOND, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : Frisclt en gezond ; — gisteren was ik niet goed, maar nu ben ik weer frisch en gezond. Zoo frisch als een bliek. Ons Heer is gezond, blijft gezond, zegt iemand die aan een werk bezig is, wanneer dit snel vordert.

GEZOPIG, bijv. nw.. — Sappig. Dat fruit is gezopig.

Bij D. gezoppig ; bij S. gezappig en gezoppig.

GEZWADDER, z. nw., o.. = Het zwadderen. Het gezwadder van een vette kin.

GEZWEISEL, GEZWENSEL. GEZWESSEL. z. nw., o.. - Het zweistien, zwenselen, zwesselen. Het gezweisel van den dronkaard langs de straat.

GEZWIL . z. nw., o.. = Gezwel. K. tumor.

GHEEL (zware c), z. nw., o.. — Dorp der provincie Antwerpen.

Spr. : Van Gheel komen, naar Gheel moeten, krankzinnig zijn.

GIBBE. z. nw., vr.. = Mond, al spottende. Houd uw gibbe, gij zeeveraar. Hij zette zijn gibbe open tot achter zijn ooren.

— = Kind dat veel schreit, schreier. Wat is mij dat veur een gibbe ! mijn ooren tuiten er af.

Ook givve.

GIBBEGABBE. — Nabootsing van het geluid, veroorzaakt door het tegen malkander wrijven van de twee broekspijpen.

Spr. : Zijn broek heeft den tijd niet van gibbegabbe te zeggen, hij gaat zeer snel.

GIBBELEN (i = ie kort), werkw., onov. {hebben), = Overgeven. K. gobelen , geubelen , gubbelen , vomere. Hij had te veel gedronken en moest 's avonds gibbelen.

Bij C. göbbelen ; bij S. gojfelen en gubbelen.

V. geeft gobbelen als Zuidned..

Z. Gobelen bij Verdam

GIBBERAS, z. nw., vr.. = Vrouw of dochter die gibbert.

GIBBEREN (i = ie kort), werkw., onov. (hebben).

— Z. Gabberen. C. S. T. R.

Gep. woord. : gibberen en gabberen, gibberen en lachen, aanhoudend lachen.

GICHELAGAA(IE )N, werkw., onov. (hebben). = Zot lachen. Ze hebben op heel die uur nog niet

. anders gedaan als gegichelagaaid.

GICHELEN (» = ie kort), werkw., onov. (hebben).

— Schaterend en veel lachen. C. D. S. T. R. K. ghichelen , gichen — cachinari.

Bij C. ook chichelen.

Bij V. : halfgesmoord lachen.

GIDDERAS, z. nw., vr.. = Vrouw, dochter die giddert, veel lacht.

GIDDEREER (zware e), z. nw., m.. Die giddert.

GIDDEREN. werkw., onov. (hebben) — Aanhoudend lachen.

Gep. woord. : lachen en gidderen.

GIECHELTUIG, z. nw., o.. = (Schipper) Zeil dat, gelijk het spriettuig, met eene spriet opgehouden wordt. Bij het wegnemen.is er verschil tusschen het spriet- en het giecheltuig. Bij dit laatste blijft de spriet rechtstaan en wordt het zeil bij middel van eene ketting omlaaggetrokken, terwijl, bij het spriettuig, de spriet, te gelijk met het zeil, nedergelaten wordt.

GIER, bijw.. = (Boer) Breed. De ploeg loopt te gier, te veel het land in, niet rechtdoor. Het is het tegenovergestelde van nauw, als de ploeg te nauw loopt, is zij gedurig geneigd om in de reeds gemaakte voren terug te springen.

GIER, z. nw., m.. — (Schipper) Nen gier nemen, gezeid van een geankerd schip, dat, door de werking van den neer, naar de eene of de andere zijde wegdraait.

Ook gieren. V.

GIEREN, werkw., onov. (hebben). = (Boer) Te breed loopen en alzoo eene schuinsche voor in plaats van eene rechte maken. De ploeg giert als zij niet gelijk inschuift volgens dat de voet afteekent.

Gewest, bij V..

Sluiten