Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GIERIGHEID, z. nw„ vr.. — Z. Wdb..

Spr. : De gierigheid bedriegt de wijsheid. Iedere stuiver brengt zijn gierigheid mee.

GIETEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

— Water gieten, overvloedig" regenen. C.

GIETTIJ, z. nw,, vr.. = (Schipper) Gicrtij, springvloed, tegenovergesteld van doode tij. 't Is in de giettijen , -zegt men op de dagen rond volle en nieuwe maan, wanneer het water hooger wast dan naar gewoonte.

GIEZEKEN. — In de uitdrukking van giezeken doen, zeer snel in de koorde dansen.

GIJLDER, pers. voornw., meerv.. — Gij. D. Hebde gijlder dat verteld ?

Ook gulder.

GIJPEN, werkw., onov. (hebben). — (Schipper) Het schip van richting doen veranderen bij middel der zeilen. V. Men gijpt wanneer men vóór den wind vaart en het vaartuig eene kleine wending maken moet, waardoor men het zeil aan de andere zijde van het schip brengt.

GILDE, z. nw., o. en vr.. — Z. Wdb..

Ook gulde.

Spr. : Zooveel te zeggen hebben als Sturm in de oude gilde, geene macht, geen gezag hebben.

— = Feest, maal eener gilde. K. epulum. 't Is vandaag schippers gilde.

Z. Verdam , i) en 2).

GILLE. z. nw., m.. = Gillis.

GIMP, z. nw., vr., = Nonnenborstsluier, guimpe.

GINDS, bijw.. — Ginds ende weer, gindseldeweer, van den eenen naar den anderen kant. K. ghins ende weder — ultro citroque. Hij is altijd bezig met ginds ende weer te loopen , en verricht ondertusschen niets. De wind loopt gindseldeweer.

GINDERT, bijw.. = Ginder.

Ook ginter, gmdsel, ginsel en gintert.

GIN(D)SE1., bijw.. — Z. Gindert.

— voornw., onz.. = Dat. Is't dat huis? — Neen, 't gin(d)sel.

GINDSELDEWEER, bijw.. — Z. Ginds.

GINfDjSElNiS, bijw.. = Langs ginder. Ik ga gindsens.

Bij S. ginses en genses.

GINSEL, bijw.. — Z. GinderI en gindsel.

GINTER, bijw.. — Z. Gindert. V..

GINTERT, bijw.. —Z. Gindert. i

GINTERWA AR(T)S, bijw.. = Naar ginder. Het dorp ligt ginterwraats.

Bij D. ginterweerts.

Z. Ginswaert bij Verdam.

GIPS (i =- ie kort), z. nw., vr.. = Kleine twijg uit eenen struik gesneden die men gebruikt tzij om

als roede te dienen , tzij om onder de wandeling in de hand te houden. C. De boer bezigt dikwijls een gipsken om zijn koe te leeden.

Meest gipsken.

Bij C. ook gisp ; bij D. en S. gisp ; bij IC. ghispe, flagrllum.

Weinig gebruikelijk bij V..

— Z. Bagips.

GIPSEN (i = ie kort), werkw., onov. (hebben). — Met de zweep slaan. S K. ghipsen, flagellare. Hij gipste geweldig op zijn peerd.

Gispen veroud. bij V..

— overg.. = Water smijten dat het spat. Hij heeft mijn wezen vol water gegipst. Het gipst water (regent fel).

Bij D. gispen.

Gispen Zuidned. bij V..

— onov. (hebben). = Spatten, van water en andere vochten gezeid. Hij viel op zijnen kop en had zoo een diepe wonde dat het bloed er uit gipste. Het regent dat het gipst (regent fel).

Bij D. gispen.

— — Hard regenen. C.

Bij D. gispen.

— =.= Geweldig gaan, snel loopen. Hij begost te gipsen als hij de gendarmen zag. Het peerd gipst als 't van de zweep krijgt.

— = (Meisjesspel) Snel dansen in de koorde. Kom , we gaan wat gipsen. Z. Dappere.

GIPSHEER, z. nw., m.. — Spotnaam, hooveerdige kerel.

GISSEN , werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Gissen doet missen.

GIST, z. nw., m., (niet vr.). — Z. Wdb.. C. T.

Spr. : Gist in zijn schoenen hebben, zeer snel gaan.

D. : « vr., doch meest m.. »

GISTENBIER, z. nw., o.. = (Brouw.) Bier dat uit den gist nog komt als men dien perst.

Bij C. gistbier.

GISTER, bijw.. = Gisteren. V.

Komt voor in gister arond. K. heri vesperi.

GISTEREN , bijw.. — Z. Wdb .

— Gisteren acht dagen , hier ily avait huit jours. D.

GISTKAN, z. nw., vr.. = Blikken, koperen kan waar men den gist in bewaart of haalt.

GISTPOT, z. nw., m.. = Pot waar de gist in bewaard wordt.

GIVVE, z. nw., vr.. — Z. Gtbbe.

GLAASKEN, z. nw., o.. = (Marmelspel) Glazen marmel.

GLAS, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Te diep in 'tglas kijken, te veel drinken.

GLASACHTIG, bijv. nw.. = (Smid) Broos , licht brekende , van het ijzer gezeid.

Sluiten