Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Iets krijgen boven God zij geloofd, boven hetgene men verwachten mocht. Op een onbekwamen geneesheer : het is een doktoor van de gezonden, God helpe de ziehent. 't Is een boer van God helpe de zieken en dat de gezonden thuis blijven, op een zorgeloozen boer. Wie kan er tegen Ons Heer ? 't is God zelf. Een aalmoes om Gods wil: vraag der bedelaars. Zwijg om de liefde Gods, als 't u belieft, ik smeek er u om. Iets doen ter eere Gods, voor niets, zonder loon. God weet dat! antwoord op eene vraag die men hoegenaamd niet beantwoorden kan. In Gods naam, dringende smeeking of eindelijke toegeving. Hoe is 't Gods meugelijk I Mijn ziele Gods I uitroepen van verwondering. God (Ons Heer) mag zijn-ziel hebben, wensch achter den naam van eenen overledene. God zegent en beware u, wanneer de ouders hunne kinderen zegenen.

GODDEROBE, z. nw., vr.. = Leelijk vrouwmensch.

Is 't verbasterd uit garde-robe ?

GODELIEVE, z. nw., vr.. — Vuile Godelieve, spotnaam op eene vrouw die lui en vuil is.

GODSBLOK, z. nw., m.. = Braaf en zacht mensch, maar klein van verstand en behendigheid. D. S. R.

Bij S. ook goedsblok en gutsbloh .

GODSCH, bijv. nw.. = Van God. C. S. Dient tot versterking. Heele godsche dagen zit hij onnoozel zijn vingers te tellen.

Ook godsig.

GODSGELEERDE, z. nw., m.. = Godgeleerde.

GODSGELEERDHEID, z. nw., m.. — Godgeleerdheid.

GODSGENADIG, bijv. nw.. — Heel, gansch. T. R. Dit kind greeft den godsgenadigen dag.

GODSHEUGDIG, bijv. nw. en bijw.. — Goed, braaf, gemeenzaam. Een godsheugdige mensch.

Bij D. goedsheugig; bij S. goedsjeugdig en goedsheugig

— bijw.. = Welgemeend , ernstig. Hij gaf mij godsheugdig zoo een dwaas antwoord dat ik in 'nen grooten lach schoot.

Ook godsheagendig.

GODSHEUGENDIG, bijv. nw. en bijw. — Z. Gods heugdig.

GODSIG, bijv., nw.. — Z. Godsch. R.

GODSLAMP. z. nw., vr.. = Lamp die vóór 't H. Sacrament in de kerke brandt. V. C. D. S. T. R.

GODSLIJ(DI)G, bijv. nw..'= Zonder vooruitzicht, te veel betrouwen hebbende. Hij is zoo godslijdig dat hij hem deur iedereen laat bedriegen.

GODSMOEDIG, bijw.. = Eenvoudigweg, gerust , zonder inzicht, zonder overleg. Hoe kunt gij daar zoo godsmoedig eene halve uur staan op

kijken ? Hij zat daar godsmoedig te wachten. Z. ook goedsmoeds. Wdb..

— Heeft in sommige gevallen een gansch tegenovergestelde beteekenis. Al zag hij den plas water liggen, toch liep hij er godsmoedig deur, d. i., vrijwillig, met opzet.

— Dient ook in uitroepen. Hoe kan 't godsmoedig toch gebeuren !

GODSPENNING, z. nw., m.. = Geld dat eene meid of een knecht ontvangt, wanneer zij zich ergens verhuren. C. S. K. arrha.

Z. Verdam.

GODVRUCHTIG, bijv. nw.. = Ascetique. D. Een godvruchtige boek.

Zuidned. bij V..

GOECHELEN. werkw., onov. (hebben). — Inde gep. woord. : lachen en goechelen.

Gewest, bij V..

Z. Woord, der Ned. T..

Ook goochelen en guichelen.

GOED , bij v. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : 't Is goed, zei Bradden, en hij at zijn kindjes pap uit. Goede waar prijst keur zeiven, goede waar moet niet beboft worden. Goed is wel, maar beter wint. Al te

goed is allemans zot. Dat is goed en wel, maar fort

bien. Goede koop is kwade koop. Vertrekken zonder goeden dag of goeden avond te zeggen.

-— — Gezond, wel te pas. V. C. Gisteren avond ging ik vroeg slapen, omdat ik niet goed was.

— Goed van hert zijn, inwendig gezond zijn , wel kunnen eten en drinken.

Ook gezond van hert.

— Van goed paart, van goederhand. 't Is zeker wat ik zeg, ik weet het van goed paart.

Er goed uitzien, een gezond voorkomen hebben.

Al is hij vermagerd deur zijn ziekte, hij ziet er nu toch goed uit.

— Iemand veur iets goed kennen, hem tot iets bekwaam achten. C.

— = Begoed. Hij is van goede familie, van goede afkomst. De boeren, al zijn ze gemeen gekleed, zijn somwijlen goede menschen.

— Er goed veur zitten, in de toekomst mogen gerust zijn. C. S. Karei zit er goed veur, want hij heeft een rijke nicht.

— Te goed houden, later vereffenen, eigenl. en overdrachtelijk.

Z. Verdam, 2045.

— Te goed hebben, i° te vorderen hebben, C. ; — ik heb nog twee frank op u te goed. 2° met weinig of veel, invloed hebben , bemind worden ; — Willem heeft thuis niet veel te goed , want hij gedraagt hem slecht.

— Zoo goed als, bijna. C. S. Ik ben zoo goed als genezen.

— Iets doen op goed valle 't uit, op goed geluk af. C. T. R.

Sluiten