Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GRASSING, z. uw,, m.. = Al het gras van eene bedoelde plaats.

Ook grazing.

GRAT, bijw.. = Geheel, volstrekt. C. De stok brak grat af. Het glas is grat kapot.

Bij C. ook grataf, rat, rats, rataf; bij D. graten rat.

Ook rat en rot.

GRATEL, z. uw., m.. — Z Graat.

— = (Boer) Klein vel, van de melk gezeid. Wanneer de melk kappelt, liggen er gratels in.

Ook kappel en kappeling.

GRATELACHTIG. bijv. nw.. = Dik, vellen en brokken bevattende. De botermelk van een versche koe geeft altijd gratelachtige pap.

Ook knabbelachtig.

GRATIE , z. nw., vr.. —Z. Wdb..

Spr. ; Gratie vinden in iets of iemand, er genoegen in vinden. Ons lieve Heer geeft gratie naar staat of naar vocatie. Ik en kan van de gratie Gods niet leven, zonder eten.

— De gratie trekken, kleppen wanneer de consecratie gebeurt.

Ook de gratieklok trekken.

GRATIEKLOK, z. nw., vr.. — Z. Gratie.

GRATIS, bijv. nw.. — Z. Wdb..

— Gratis veur niet, gansch gratis. C. Ge geeft, zei de kwakzalver, twee stuivers veur het doosken, en de zalven krijgt ge gratis veur niet.

GRAUD . GRAU(W). — Z. Wdb..

Spr. : Iemand grand en blaud slagen, bont en blauw. Zoo grand als eenpadde.

GRAÜiWE), z. nw., o.. = Schemer, half licht. Hij kwam thuis tusschen den lichten en den grauwen.

GRAUfWEiN, z. nw., o.. — Het grauwen, het schemeren. C. In 't grauwen van den avond.

GRAU(W)VEL, z. nw., vr., meest in 't meerv. gebezigd = Peer, nogal groot, met grauw vel.

GRAVEN , werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Graven en delven betaalt zijn zeiven.

GRAZING, z. nw., vr.. — Z. Grassing.

GREBBE, z. nw., vr.. = Groef. S. K. grebbe, greppe, grippe en grubbe — fovea. Een grebbe in een plank maken.

Bij S. ook grep , greppe, greppel en greb.

Bij V. : « smalle sloot of greppel. » Aan grep, greppe geeft hij , onder andere , de beteekenis (gewestelijk) reet, spleet.

Z. Verdam.

Ook gribbe.

GREEF (zware e), z. nw., m.. = Ingebeelde persoon die, gelijk Sint Niklaas , des nachts de goede kinderen komt beloonen en de slechte straffen.

De Greef komt op Halfvasten. Vandaar dat men ook zegt: de Greef van Halfvasten. C.

— = Lekkernijen en speelgoed op Halfvasten aan de kinderen gegeven. C. Zijnen Greef krijgen.

GREEF (zware e) z. nw., m.. = Brompot. C. D. S.

GREEFACHTIG (zware e), bijv. nw.. = Genegen tot greven. C. Als de kinderen greefachtig zijn, is 't gewoonlijk een teeken dat ze ziekelijk zijn.

GREEFHALFVASTEN (zware e), z. nw., m..

— = Groote brompot. Mijn man, zei de vrouw, is een greefhalfvasten.

— = Wondere, zotte, wilde kerel.

Ook zothalfvasten.

GREEFPOT, z. nw., m.. = Die veel greeft. C. D. S.

GREEFZAK (zware e), z. nw., m.. = Grever.

GREEP (zachter), z. nw., vr., (niet m.). — Z. Wdb..

Spr. : De greep van iets weghebben, er de handeling van hebben ; ge moet niet probeeren te dorschen, want gij hebt er de greep niet van weg.

— = (Schipper) Voorste deel der gaffel dat den vorm van eenen klauw heeft. Het is bij middel der greep dat de gaffel in den mast sluit.

GREESTEEN (gree, zachte e), z. nw., m.. — (Smid) Grauwachtige steen gebruikt om ijzer klaar te schuren.

GREFFIE, z. nw., yr.. = Griffel, ent. D. S. K. surculus pui fodiendo inseritur.

GREIHOUT, z. nw., o.. = (Mulder) Houten balk waar de steen, als .hij gescherpt wordt, op staat.

GREMEL, z. nw., m.. = Stille glimlach.

—■ = Weinigsken, sprekende van kleuren. Ons sprei mag niet heel geel zien, ze mag maar 'nen gremel hebben.

GREMELEN, werkw., onov. (hebben). == Glimlachen. C. S. Hij was niet kwaad om 't gene ik zei, want hij gremelde.

Zuidned. bij V..

GRENDEL, z nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Achter de grendels zitten, in de gevangenis.

GRENDEL, z. nw., m.. = Greef, knorder, die altijd misnoegd is en op alles vit. S.

GRENDELBUIS, z nw., vr.. = IJzeren buis in den muur gemetst en dienende om er den grendel der deur in te schuiven.

GRENGEL. z. nw., m.. — Grendel. C.

GRENGELBUIS, z. nw., vr.. — Z. Grendelbuis.

GRENGELEN, werkw., overg.. = Grendelen. C.

GRENGELSLOT, z. nw., o.. — Grendelslot.

GREPEL , z. nw., m.. = Greppel.

GRES, z. nw., o.. — Z. Eenzekritid. 32.

Sluiten