Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GROENE , z. nw., m.. = Aardige , snaak.

— De groene zit op zijnen rug, hij heeft den groenen op zijnen rug, hij is lui.

Ook hij heeft den Dermonteneer of den groenen rninoor op zijnen rug.

— o.. = Onkruid. Men rijdt het groen onder, opdat het geen zaad schiete en het den akker voede.

GROENE MA(D)EN , z. nw., vr.. meerv.. = (Kruidk.) Schorpioenkruid , verscheiden soorten van Scorpiurus , chenilles, fam. Papillon.. D. vertaalt S. door slekkekruid.

GROENGAWEG, GROENWEG, bijw.. — Ik vond 'nen appel onder den boom en ik at hem zoo maar groengaweg op.

GROENING, z. nw., m.. = Appel, groen, goed van smaak, is laat rijp en bewaart lang. D. S. K. mali genus viride.

Z. Verdam.

GROENSEL , het, meest meerv. groensels. = Moeskruid tot voedsel der menschen. C. D. S. Iï. greint ina.

Zuidned. bij V..

Z. Verdam.

GROENSEL, z. nw., m.. — Z. Grasseleer. C. S. K. chloris.

GROENSELEER (zware e), z. nw., m.. — Z. Grasseleer.

GROENSELHOP, z. nw., m.. = Groentuin, moestuin. C. D. S.

Zuidned. bij V..

GROENSELKELDER, z. nw., m.. = Groenkelder.

GROENSELKOM, z. nw., vr.. = (Potbakk.) Hooge kom zonder ooren, dienende, onder andere, om groenten in te spoelen.

Ook waschhom.

GROENSELMARlKlT, z. nw., vr.. = Groenmarkt. C. D.

GROENSELSOEP, z. nw., vr.. = Groentesoep.

Bij D. groenselspijs.

GROENSELVROUW, z. nw., vr.. = Groentevrouw, groenwijf.

GROENSELWIJF, z. nw., o.. — Z. Groenselvrouw. S.

Zuidned. bij V..

GROENSELWINKEL , z. nw., m.. = Groenwinkel.

GROENSPECHT, z. nw., m.. —Z. Boschspecht. D.

GROENZAK , z. nw., m., meest in 't meerv. gebezigd. = Soort wisschen die gansch groen zijn, zonder takken, zeer lang en gemakkelijk pletteren.

GROENZAKACHTXG, bijv. nw. en bijw.. — Het

vlas is groenzakachtig, wanneer het neerhangt, niet geel is en weinig bast heeft.

GROEP, z. nw., m., (niet vr.). — Z. Wdb.. C.

GROES , GROEZE , z. nw., vr.. = Met gras bewassen land. D. S. K. groense, groese, grase = ccespes viridis.

Gewest, bij V..

Z. Verdam.

— = Bladeren, groen deel van wortels, rapen, aardappels, enz.. D. S.

Ook loof.

Zuidned. bij V..

— = Onkruid van den akker.

— = Grasplein , grasperk. C.

GROEST, z. nw., o.. — Z. Geroost.

GROEZE, z.nw., vr.. — Z. Groes.

GROEZEN, bijv. nw.. = Begraasd, met groen bedekt. Wanneer de wind fel is, is het best op 'nen groezen aard te vinken.

GROEZIG, bijv. nw.. Wel begraasd. Laat ons rusten op een groezige plaats van den akkerkant.

GROF, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Maakt in de verlenging niet grove, maar grovve, Z. Woord, der Ned. T .

Spr. : Er met de grove bijl of met den groven bessem of borstel deurgaan, geweldig handelen, niets of niemand ontzien.

— Grof brood, -brood van tarwemeel dat niet uitgehuild is. C.

Ook zakbrood, brood uit den zak, hropbrood , brood . uit den krop.

— (Bieman) Grove bie. Z. Broedbie.

— (Bieman) Grof broed of grof werk. Z. Broed. In het grof werk legt de koningin eieren waar grove bieën uit voortkomen.

GROGGEL, z. nw., m.. = Schrik. Ge zoudt er 'nen groggel van opdoen.

GROGGELEN, werkw., onov. (hebben). = Verschrikken.

GROL, z. nw., m.. == Knorpot. C. D. S.

Bij C. en S. vr..

Zuid. bij V..

GROLACHTIG, bijv. nw.. = Genegen tot knorren , knorrig.

GROLKOUS, z. nw., vr.. = Die geerne knort, meest van vrouwen gezeid.

GROLLEN , werkw., onov. (hebben) = Knorren. C. T. K. grunnire, murmurare. De hond grolt. Zijn buik grolt. Waarom altijd grollen en ontevreden zijn ?

Spr. : Mijn beer grolt, ik heb honger. Grollen en gr even, aanhoudend knorren.

Zuidned. bij V..

Z. Verdam.

Sluiten