Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GRUISELAS, z. nw., vr.. — Z. Grasseleer.

GRUISELEER. - Z. Grasseleer.

GRUISELINGEN, z. nw., m., meerv.. == Gruizelingen. Een glas in gruiselingen slaan.

GRUIS WATER, z. nw., o.. = Water met zemelen in , veel gebruikt om in te baden.

Ook gruiszop.

GRUISZOP, z. nw.,o.. — Z. Gruiswater.

GRUIT, z. nw., o.. = (Kruidk.) Z. Eenzehruid. K lenticula palustris qua in paludibus et stagnis per oestatem aqucc supernatat, gratissimum anatibus pabulum.

Bij Verdam op Gruten : « De meening van K. dat het eene waterplant zou zijn.... is reeds door anderen wederlegd. »

In Woord, der Ned. T. : « Gruyte bij Kiliaan voor : eendenkroos (lenticula palustris) is verder alleen uit woordenboeken bekend ; het moet voor een door hem verzonnen beteekenis gehouden worden (verg. Verdam 2,2198 ; misschien deed gruilen (2dc art.), slooten reinigen, hem deze beteekenis onderstellen. »

Kiliaan onderstelde niets. Hij vond het woord gruit, dat nu nog voortleeft in de Wasche Polders.

GRUITEN. groot, gegroten, werkw., overg.. = Foppen, bedriegen. Ge zijt bezig met mij te gruiten.

— = Paling met de peur vangen.

GRUITEN, werkw., overg., gelijkvl.. = Met de gruitzeisen de grachten en slooten reinigen. S. K. gruyten, omnino et perfecte canales expurgare.

Bij S. ook grutten.

GRUITZEISEN. z. nw., vr.. = (Dijkw.) Werktuig bestaande in een mes dat schuins gevestigd is op eenen stok van drij tot vier meters lang. De poldermannen bedienen er zich van om de groote waterloopen van riet, lang gras, gruit, enz., te zuiveren.

GRUIZELEMENTEN, z. nw., o., meerv.. = Gruizementen , zeer kleine stukskens. V. S. Iets in gruizelementen slaan. %

Bij D. grijzelmenten en gruislamenten.

GRUMMEN, werkw., onov. (hebben). = Grommen, knorren. C.

GRUNS, z nw., m.. — Z. Grasseleer. S.

GRUSSELAS, z. nw., vr.. — Z. Grasseleer.

GRUST, bijv. nw.. — Z. Gerust.

GRUSTIGHEID, z. nw., vr.. — Z. Gerustigheid.

GUCHELEN , werkw., onov. (hebben). = Mooschen, futselen. Wat staat gij daar aan dat brood zoo te guchelen ?

GUICHELEN, werkw., onov. (hebben). — Herhaaldelijk lachen. Komt voor in de gep. woorden : lachen en guichelen en in het spreekw. al lachende en

guichelende zegt de zot zijn meening. D. S. K. joculari.

Z. Guchelen , bij Verdam.

GUIL, z. nw., vr.. = Lange, niet al te breede groeve. Een guil graven.

— = Geul, lange streep loopend water, die gewoonlijk in den stroom uitgeeft. S. Er is een guil te Hamme en te Sint-Gillis.

GUIL , z.nw., vr.. = Versletenpeerd,knol. Z. Wdb..

Dikwijls wordt er oud bijgevoegd. Een oude guil van een peerd. Er is te Sint-Niklaas een zoogenoemde oude-guilenmerkt.

— Z. Gooi. S.

GUILACHTIG, bijv. nw.. = Van eene guil weghebbende. Dat meisken ziet er guilachtig uit.

GUITSPECHT, z. nw., m.. = Spotter, die de gewoonte heeft van te gekken. Een guitspecht maakt hem dikwijls hatelijk.

GULDE, z. nw., o. en vr.. — Z. Gilde D. S. K. societas contributionum.

Bij C. guld ; bij T. en R. gul.

Z. Verdam.

GULDEN, z. nw., o.. — Z. Gitlde.

GULDEN, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. ; D'e den stuiver niet begeert, is den gulden niet weerd. Ieder duzend gulden brengt zijn gierigheid mee.

GULDEN , bijv. nw.. — Gulden mis, plechtige mis den Woensdag van quatertemper vóór Kerstmis gezongen. C. S. K. Missa solemnis antelucana de annuntiatione B. Virginis, quatuor temporum adventus feria quarta celebrari solita.

GULDER, pers. voornw., meerv.. —Z. Gijlder. D.

GULZIGGAWEG, GULZIGWEG, bijw.. — Dat ge uw bier zoo niet gulziggaweg uitdronkt, ge zoudt er meer smaak van hebben.

GUSTEMAN, z. nw.. m.. = August.

Als toespraak gebezigd.

GUSTOOM, z. nw., m.. = Oom August.

GUTS, zonder bepaling. = Slagen. Iemand guts geven. Hij zal guts krijgen.

GUTSEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb..

— = Geweldig slaan. Op iemand gutsen. Zij hebben er geweldig op gegutst.

Bij S. gotsen en geuden.

GYPTENAS (y — ie kort), z. nw., v. = Spook, geest. De Gyptenassen, vertellen ze, waren oude wijven die van Egypte kwamen en altijd in gezelschap uitgingen ; zij kookten en stookten dikwijls hun eten nevens de stroomijten , die toch niet in brand schoten. Was er eene te oud, dan werd zij levende in den put gesteken, met een broodje van 'nen stuiver of vier oortjes; en, terwijl zij nedergelaten werd, zong het gezelschap :

Beste moeder, kruipt maar in den put (u = km kort)

Ge zult komen in de andere wereld uut (!)

Sluiten