Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HALFHOOGE. z. nw., m. meerv..= (Blokkcnm.) Blokken die de volgroeide mannen dragen. Geeft mij een paar halfhooge.

HALFKEN, z. nw., o.. = Halfje, muntstuk van i centiem.

Spr. ; Hij zou een half hen in tweeën bijten , is happig naar winst, zeer gierig.

HALFLIJF, z. nw., o.. — (Kleermak.) Deel der frak tusschen rug en voorste.

HALFLUIK, z. nw., o.. = (Schipp.) Deel eener luik dat licht om wegnemen is. Het is langs de opening van het halfluik dat men in het ruim van het schip gaat, wanneer dit door de luiken gesloten is.

HALFMAAN, z. nw., zonder bepaling. = Halvemaan. 't Is morgen halfmaan.

vr.. = (Huidevetter) Driehoekig mes waar men

het leder mede doorsteekt.

= (Schipper) ijzeren beleg op de onderzijde en

halfrondvormige zijde der houten zweerden om deze stevig te maken.

HALF-MAATMANDE, z. nw., vr.. = (Boer) Mande die groot genoeg is om eene halve maat te bevatten. Z. Maat en Maatmande.

TT AT/FM AST, bijw.. = (Schipp.) Op halve hoogte van den mast. De schepen hijschen de vlag halfmast tot teeken van rouw.

Ook hal/stengen halflop.

HALF-NEGENMIS. z. nw., vr.. = Mis die om half negen ure begint.

HALFOEST, z. nw., m.. = Half Augustus, i5de Augustus.

Bij C. halfoo(g)st; bij S. halfoegst.

—■ Ons-Lie(ve)- Vrouw-Halfoest, Hemelvaart van Maria.

C. S.

Z. Verd..

HALFPANNE. z. nw., vr.. — Het is half panne, als tusschen vrienden en vrijers de genegenheid maar koel is. Het is een half panne, wordt gezeid op iets of iemand , om te beduiden : 't is niet erg, 't is maar halfhalf; — 't is maar een halfpanne met mijn gezondheid , ik geloof dat ik ga ziek worden; ons meisen is maar een halfpanne : ze kan wel schuren , maar niet koken.

HALFPONDER, z. nw., m.. = (Schoenmak.) Wegvormigë ijzeren nagel dien men in de hielen slaat, bijzonderlijk van de vrouwschoenen.

Het zijn kleine musschenbekken.

HALFRONDIJZER, z. nw., o.. = (Smid) Ijzer dat langs de eene zijde plat, langs de andere rond is ; het wordt veel op de buiting der schepen vastgenageld ; de platte kant past tegen het schip, het ander deel staat rond.

HALFSCHOOL. z. nw., vr.. = Half uur speeltijd

tusschen de gewone schooluren. Meester, mag ik t'halfschool eens naar huis loopen ?

HALFSLEET (zachte e), bijv. nw.. = Halfsleten, halfversleten. C. T. R. Gij rooit uw schoenen al weg, als ze nog maar halfsleet zijn.

HALFSTEENSCH (scherpe e), bijv. nw.. = Een halven steen dik. Een halfsteerisclie muur.

HALFSTENG, bijw.. — Z. Halfmast.

HALFTOP . bijw.. — Z. Halfmast.

HALFVASTEN, z. nw., m. (niet vr.). — Z. Wdb.. C. D.

— Greef halfvasten. Z. Greef.

HALFWAS, bijv. nw.. = Half volwassen, half volgroeid. De peren zullen dees jaar maar halfwas zijn.

— z. nw., m.. = Halfvolwassen haas, hond, enz.. Ik heb niet gelukkig geweest in 't jagen, ik heb maar 'nen halfwas gekregen.

HALFWEGE(N), bijw.. = Halverwegen. C. S. Wij waren nog maar halfwege gegaan.

Z. Verd..

HALFWERK , z. nw., o. en m.. — Z. Eeg.

— = (Blokkenm.) Boor die van lepel wat grooter is dan de veurganger en gebruikt wordt om het hol door dezen gemaakt, te verwijden.

Ook half-werhboor en tweede boor.

— — (Blokkenm.) Kleinste soort van blokken. C. Twee blokken van halfwerk tellen maar voor éenen. Z. Blok.

Z. ook halverwerk.

HALF-WERKBOOR (scherpe o), z. nw., vr.. — Z. Halfwerk.

HALF WERKEN, werkw., onov. (hebben), onsch.. = (Blokkenm.) Een hol met de half-werkboor maken. Hij stond bezig met te halfwerken als ik binnenkwam. Het halfwerken komt achter het putten.

HALF-ZEILLIJN , z. nw., vr.. = (Meulenï Lijn die vast is, wanneer het zeil ten halve getrokken is, en los, wanneer het op schild of storm getrokken is.

HALF-ZEVENMIS, z. nw., vr.. = Mis die om half zeven ure begint.

Soms ook half-zevenuremis.

HALFZOLEN (klemt, op zolen), werkw., overg., onscheidb.. = (Schoenmak.) De halfzool vernieuwen. Nen schoen halfzolen.

Bij V. halvezolen.

Ook verhalfzolen en verhalvezolen.

HALFZOOL, z. nw., vr.. == (Schoenmak.) Deel van de zool dat het voorste deel van den voet bedekt en gaat tot aan de kreuk.

Bij V. halve zool.

HALLEBAARDIJ, z. nw., vr.. = Spelende schermutseling, vriendelijke vechtpartij.

Sluiten