Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de hand, rap inden tand, die wel werkt, kan goed eten. Als de handen rusten, moeten de tanden rusten, die niet werkt, moet niet eten'. Leg uw hand op uw hoofd of hef uw klak op, en vraag eens wie er onder staat. Een peerd in twee handen, goed om te loopen en te werken. In alle handen goed zijn, tot alle werk geschikt zijn. Tegen de hand, in moeilijke richting; — van rechts naar links kan ik niet wrijven, dat is tegen mijn hand. Aan iemand of iets zijn handen piet willen vuilmaken, er niet willen aan raken. Als hij 'nen vinger heeft, wilt hij de heele hand, hij is zeer begeerlijk. Uit iemands handen haver moeten eten, door iemand geheel onderhouden worden. Wachten met de slinke hand, beginnen te eten zonder te wachten naar degenen die nog komen moeten. Het handje van iets hebben, in iets zeer behendig zijn. Van de hand gaan, met bedrevenheid verricht worden ; — dat werk gaat goed van de hand. Ce ld op de hand, gereed geld. Iemand iets in de handen steken, wat geld geven. Zijn hand afdoen. Z. Afdoen.

— (Metser) Over de hand werken, langs de binnenzijde opmetselen. De metser die de muren van een huis over de hand opmetselt, staat niet langs buiten, maar langs den binnenkant van het gebouw.

— (Wever) Over de hand weven, onregelmatig verwisselen.

— Op de hand zitten, in 't kaarten , eerst moeten uitspelen.

Bij V. voor de hand zitten.

— (Voerman) Op de hand gaan, langs den kant van den voerman gaan. Het handpeerd gaat op de hand, het roepeerd gaat in de roe.

— =(Dijkw.) Dertig stappen rijdens. Is de afstand van de ladingplaats tot het stort of de losplaats 3o passen (3o met. daaromtrent) of min, dan wordt het vervoer van den grond in kruiwagen door éenen persoon gedaan, dan gaat het vervoer op éene hand ; is die afstand meer dan 3o stappen , dan wordt het door twee personen gedaan, dan gaat het vervoer op twee handen ; op 60 stappen afstand , dan gaat het op drij handen. Indien men eene merkelijke helling bestijgen moet, dan rijdt men soms op halve handen , d. i., vijftien stappen verre.

HANDBOOM, z. nw., m.. = Hefboom. De blokmakers verleggen de boomen met handboomen.

— = (Schipper) Windboom.

HANDBOOR (scherpe 0), z. nw., vr.. = (Smid) Kleine boor dienende om de gaten in 't ijzer te vergrooten of te zuiveren.

Ook souvertinboor.

HANDBORSTEL, z. nw., m.. = Borstel met i korten steel en lang haar. D. Handhave en borstel zijn van éen stuk en volgen dezelfde lijn. De bakker gebruikt 'nen handborstel om de brooden af te kuischen die uit den oven komen.

HANDDOEKDROOGER, z. nw.,m,.= (Meubelm.) Enkel gestel der slaapkamer waar men, na zich gewasschen te hebben, den handdoekop hangt.

HANDEEGD. HANDEEGDE, z. nw., vr.. = (Boer) Lichte egge die gewoonlijk door éenen mensch getrokken wordt. De handeegde wordt veel gebezigd om versch geplante patatten te egen.

Ook pcteteegde.

HANDEL , z. nw., m.. = Geschiktheid, behendigheid. Hij heeft geen den minsten handel om dat werk te doen.

Ook handeling.

HANDELEN, werkw., overg.. — (Vleeschh.) Een beest handelen, onderzoeken, voelen of zij vet is. K. tangere, manu tractare. De beesten worden gehandeld op stal, eerdat zij gekocht worden.

Z. Verd. 71.

HANDELING, z. nw., vr.. = Manier van doen , gedrag. In ons huis ons vleien en op een ander met ons lachen, dat is geen handeling.

— Z. Handel.

Z. Verd. 3).

HANDEN, werkw., onov. (hebben). — Passen, aanstaan, behagen, lusten. S. K. placere. Zoo een werksken handt hem ten vollen.

HANDGELD , z. nw., o.. = Somme geld door den kooper bij 't koopen van eene zaak betaald, tot waarborg dat de koop houden zal. V..

HANDGIFT, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

— = Die eerst van iemand koopt. D. Ik zal 't u goedkoop afstaan , omdat ge mijn handgift zijt.

HANDGIFTEN, werkw., overg., onsch.. = Aan iemand de handgift jonnen, de eerste zijn om 's morgens iets te koopen van eenen winkelier, kramer, enz.. D. S. K. matutinoe venditionis auspicium facere. Iemand handgiften. Ik zal u die stof goedkooper laten , omdat ge mij handgift.

Zuidned. bij V..

Z. Verd..

HANDHAAF, z. nw., vr.. = Handvatsel. D. S. K. ansa. De handhaaf van 'nen pot is dikwijls een oor.

Bij S. ook handheef en handhef.

Gewest, bij V..

Z. Verdam.

— = (Smid) Schroefstok.

HANDHAAFBANK. z. nw., vr.. = (Pottenb.) Lange plank met vier pooten waar de handhaafblok op staat en de plank op rust die de te handhaven potten draagt.

HANDHAAFBLOK, z. nw., m.. = (Pottenb.) Vierkante houten blok waar men op handhaaft.

HANDHAAFNAGEL, z. nw., m.. = (Kuip.) Nagel dien men bezigt aan het handvast der kern.

HANDHAAFSTOEL, z. nw., m.. = (Pottenb.) Drijvoet dienende tot zitsel aan den handhaver en tot steunsel aan de plank die de te handhaven potten draagt

Sluiten