Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spr. ; Ik doe gelijk ie hannewuitens : ik houd wat ik heb.

Lied van den hannewuiten :

Ik en gij,

Ge zijt een kei.

— = Dommerik , dwaze , sul.

— Schimpnaam, inwoner van Hamme. Z. ook Hamsch.

HANNEWUITENSKOP, z.nw., m.. = (Kruidk.) Funkia, verscheiden soorten, fam. Liliac..

HANNEWUITING, z. nw., m.. — Z. Hannewuiten.

— Komt voor in het kruis der vogelvangers. Z. Kruis.

HANS, z. nw., m.. — Komt voor in de spreuk ; Met den hans zitten, met den poen, veel geld hebben.

HANS, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Den grooten Hans of Jan uithangen, zich doen gelden.

HANSBAK,z nw., m.. — De geest Hansbak, ingebeeld wezen, spook De geest Hansbak, zeggen ze, vloog des nachts door de lucht !

HANSKENPEK , z. nw., o.. = Duivel, haantjepik. S.

Bij S. ook hanskepak. ■

HANTEKLAU(W), z. nw., vr.. — Z. Gaffelas.

HAPEREN, werkw., onov. (hebben':. ~ Aan iets vast blijven zitten. C. K. hrrrere. Mijn kleed bleef aan 'nen hagel haperen.

HAPS, z. nw., m.. = Haspel, 'dévidoir. K. rota glomeratoria qua fila rotando conglomerantur.

Bij D. haspe.

Bij V. : Hasp = haspel, Zuidned..

— = Streen, wrong garen of katoen. K. fila congregata et ex alabro deposita, antequam glomerentur.

Spr. : Hij heeft 'nen haps garen opgeëten, van iemand die lang ziek ligt en schier niet sterven kan.

— = (Marmelspel) Stoot op den marmel. Ik zal uwen marmel eens 'nen haps gaan geven.

Z. Haspe bij Verd..

HAPSEL. z. nw., m.. = Ingewikkelde, verwarde zaak, bronsel. Ik kan niet peizen hoe ik uitdien hapsel moet geraken.

— = Vreemde domme praat. Ik weet niet wat veur 'nen hapsel hij daar staat te verkoopen.

— Vieze hapsel, wonder, vreemd man.

HAPSEN, werkw., overg.. = Op den haspel winden. Garen hapsen.

Bij D. en K. haspen.

— onov. (hebben). = Hard loopen, snel gaan. Ik heb dien weg op een halve uur afgedaan, maar ik heb moeten hapsen.

Z. Verd,.

HAPSHOUT, z. nw., o.. = (Metser) Balk of spar die horizontaal vastgebonden ligt aan de~steiger¬

palen om de kortelingen eens steigers te dragen.

Ook veerhout.

— = (Timmerm.) Scheerbalk , dwarsbalk waarop de makelaar of priemstijl rust in een gebint.

Ook hepshout.

HAPSOENEN, werkw., overg.. = Pak slagen geven, aframmelen. Hij viel juist in mijn hand en ik heb hem gehapsoend , ge meugt het gelooven.

HAR, tusschenw.. — Z. Heer.

HARLOGIE, z. nw., vr.. = Horloge.

HARMONICAKEN, z. nw., o.. = (Kruidk.) Anemone hortensis, fam. Ranunc..

Waarschijnlijk wordt én harmonium én harmonicaken op de meeste knolanemonen gezeid.

HARMONIUM, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Windroos, Anemone coronaria, anemone des fleuristes, fam. Ranunc..

HAROM , tusshenw.. — Z. Heer.

HARP, z. nw., vr.. = (Boer) Zift met langwerpige en ronde holen , dienende om het graan te zuiveren.

Ook splenter.

HARPEN, werkw., overg . = (Boer) Met de harp zuiveren. Het graan harpen.

HARREWAR, z. nw., m.. = Wanorde in daden, in zaken of woorden. Ik versta uwen harrewar niet. Ik kan met dat tuitje garen niets verrichten, 't is éen harrewar.

Ook herrewer.

HARREWEE (zachte e), z. nw., m.. — In harrewee, in rep en roer. Een heele straat in harrewee zetten.

HA RJSENEN, HA( RlSENS , z.nw ,vr , meerv.. = Hersens.

Zie Hersens.

Z. dien vorm op Hersent bij Verd..

HA H)SENPIKKER, z nw., m..= Dwarsdrijver. D. S. Piet is een harsenpikker, hij wilt altijd anders als alleman.

Ook harsenzuiger.

HA'R)SENZUIGER. z. nw., m.. — Z. Harsenpikker. R. S.

HA(R)ST, z. nw., m.. — Z. Ast, schimpnaam.

HAiRJST, z. nw., m.. = Fijnste rugsgedeelte van een geslacht verken, spier. K. spina porei.

Bij C. herst.

Bij V. ; « lendenstuk, dikke lende (van een rund). »

Z. Verd..

HARST, z. nw., m.. = (Schoenmak.) Hars, pek.

S. Nen draad met harst bestrijken.

Z. Hars bij Verd..

HARSTDRAAD, z. nw., m.. - - (Schoenmak.

Sluiten