Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Harsdraad , draad die met hars , met pek bestreken is. De schoenmaker gebruikt harstdraad om het leer te naaien.

Ook harsteldraad en harsteling.

B. C. hersdraad.

HA(R)STELDRAAD, z. nw., m.. — Z. Harstdraad.

HA(R)STELING, z. nw., m.. — Z. Harstdraad.

HA(R)STEN, werkw., overg.. = (Schoenmak.) Met hars bestrijken. Nen draad harsten.

Bij T. hersten.

HA(R)STKEiR)S, z. nw., vr.. = Kers middelmatig groot, pekzwart, kleiner dan de vleeschkers.

HA(RiSTPAN, z. nw., vr.. = (Schoenmak.) Pan waar men hars in kookt en bewaart.

HARWEG , tusschenw.. — Z. Heerweg.

HASSEN , werkw., onov. (hebben). — Komt voor in de gep. woord. : hassen cn bassen, kwaad en bot spreken, snabben en bijten. Kunt gij niet vriendelijk spreken ? go en doet niet anders als hassen en bassen.

Bij V. : hassebassen = vinnig kijven.

HAVANE N), bijv., nw.. — Havane saai, die eene hooge rosse kleur heeft.

HAVENMEESTER, z. nw., m.. = (Schipp.) Opzichter eener haven die op veel plaatsen ook gelast is met het innen van het havengeld. Z. V..

Ook kaaimeester.

HAVER , z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. ; Het is goed om haver te zaaien , zegt men als heel 't gezelschap zwijgt. Iets tusschen iemands haver mengelen, iemand iets doen betalen , doen bezuren. Iemand lange haver geven, slagen. Iemand zijn haver geven, hem bekijven. Als 't regent, zegt de boer : de haver heeft heur weer, want de haver is een natxak. De peerden die de haver verdienen , krijgen ze niet. Hij kan haver eten uit een flesch, is zeer mager.

HAVERBEL, z. nw., vr.. = Bel, aar van de haver. C. D.

HAVERDEBAVER, bijw.. — Hoop over hul, 't onderste boven, dooreen. Alles op den hof lag haverdebaver.

Ook hoverdebover.

HAVEREN, bijv. nw.. = Van haver. Haveren stroo.

Spr. : Twisten veur een haveren stroo, voor een ijdelen niet.

Z. Haverstro bij Verd..

HAVERESCH (klemt, op esch), z. nw., m.. (Kruidk.) Kwalsterboom , cormier sauvage. C. D.

HAVERGA(R)S, z. nw., o.. = (Kruidk.) Havergras , Arrhenaterum avenaceum, fromental, fam. Gramin..

HAVERHEVE, z. nw., vr.. = (Boer) Haver die zeer licht weegt, gemeene haver.

HAVERTAS, z. nw., m.. = Stapel haverbundels.

Spr. : Ge kunt hem wijsmaken dat de kiekens hooi eten op 'nen havertas, 't is een domme.

HAVERZIFT, z. nw., o.. = (Boer) Zift van den wanmolen om haver te zuivferen.

HAZAARD. z. nw., m.. = Lukslag, winst die men bij toeval doet in 't koopen ofverkoopen. C. D. S. Nen hazaard doen. Zulk een koop is een hazaard.

HAZEGAIRS, z. nw., o.. — Z. Bent. D.

Spr. : Ze meugen u niet slagen met een hazegars, ge klaagt om het minste , kunt niets verdragen.

HAZELEER fzware<), z. nw., m.. = Hazelnotestruik. S.

HAZEMONDJE. z.nw.,o.. = (Kruidk.) Leeuwenbek , Anthirrhinum , verscheiden soorten, mujlier, gueule de lion. fam. Scrophul.. D. hazemuil.

Waarschijnlijk ook gezeid 'op verscheiden soorten van linaria.

Ook hazemuilkens , koemuilken, konijnenmuilken en muilken.

HAZEMUILKENS , z. nw., o , meerv.. — Z. Hazemondje.

HAZENOOT, z. nw., vr.. = Hazelnoot. C. D. S.

HAZENSTROOPER, z. nw., m.. - Die de hazen de huid aftrekt

HAZESTROP, z.nw.,o.. = Strik, koorde met eenen schuifknoop, die men in den grond stelt om hazen te vangen , collet. C. D. S.

HAZENSTROPPER , z. nw., m.. = Die hazen stropt, in stroppen vangt.

HAZEPAN, z. nw., vr.. = Langwerpige pan waar men eenen haas in zijn geheel in braden kan.

HAZEZAAT, z. nw , vr.. = Leger van eenen haas.

HEB. z. nw., m.. — Z. Eb.

HEBBEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Hebben is hebben en krijgen is de kunst. Als hadden komt, is hebben te laat. Hebben is beter als goedvinden. Z. Goedvinden.

— Ik zal u hebben , bedreiging, gij zult het bekoopen. C.D.

Ook ik zal u vinden.

— Over u hebben , zekere in 't oog vallende hoedanigheden, eigenschappen hebben. C. D. T. Ge hebt een wonder manier over u.

— Iemand hebben, beetnemen, eene part spelen. C. T. R. Ze hebben hem schoon gehad op den i'te" April.

— Het op iemand hebben, iemand aanzien als de oorzaak van iets, gewoonlijk in ongunstigen zin. C.

Sluiten