Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HELA, tusschenw.. — Dientom iemand te roepen. C. R. Hela, vriend, waar gaat ge naartoe ? Hela, wat doet gij hier ?

Ook Itijla.

HELD , z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Ge zijt een heli, als ge in de lilavers zit, een bange. Z. ook Haas. 't Is een heli 'snoens, scherts.

HELDER, z. nw., m.. — Op zijnen helder, op zijde. Hij lag op zijnen helder in de zonne. De boom hangt op zijnen helder.

HELDER, z. nw., m. (?) — In de gep. w. : helder noch pelier, niets. C. S. Hij heeft helder noch pelder, is zeer arm.

HELDERDEPELDER, z. nw., m.. = Egge, in het raadsel:

Helderdepelder Liep over 't veld En niemand is er die helderdepelder Telt.

HELFT, z. nw., m. en vr.. — Z. Wdb..

HEL(LE), z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Het trekt hier gelijk in 't gat van de helle, er is hier een felle tocht. Branden gelijk een helle. Donker als ten helle. Een vier gelijk een helle. Hij zou veur 'nen druppel de helle uitschuren, van een grooten dronkaard. Ze ziet er uit alsof ze de helle uitgevaagd had, op eene vuile, zwarte vrouw. Die niet heeft, kan niet geven, 't staat op ie poort van de helle geschreven.

— De haken uit de hel, naam van cijfer 77 in het kienspel.

(Kinderspel) Plaats waar men zich, in het spel

piepkenduik, blinden moet.

HELLEDONKER, bijv. nw.. = Donker als een helle, heldonker. D. S. K. perobscurus. 't Was helledonker in de kamer.

HELLEGAT, z. nw., o.. — Plaats waar een hevige windtocht is. Op den hoek van ons straat is 't oprecht een hellegat.

Spr. ; Trekken (tochten) gelijk een hellegat.

HELLEGEER (scherpe e), z. nw., m.. = (Visscher) Soort van rechte rijf waar men bot mede steekt.

HELLEWAGEN, z. nw„ m.. = Sterrenbeeld, in de wetenschap de groote beer genoemd. S.#

Zuidned. bij V..

Z. Verd..

Spr. : Hoe meer de hellewagen gleistert, hoe herter het vriest.

HELLING, z. nw., vr.. — (Schipp.) Plaats waar de schepen met hoogtij komen en blijven rusten.

= plaats der scheepstimmerwerf waar de schepen afglijden. V..

HELM, z. nw., m.. = Blaas die bij de geboorte over het hoofd van het kind hangt. V.

Spr. : Met 'nen helm geboren zijn, zeer gelukkig zijn.

HELPEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

— Er iemand op helpen, zijn geheugen ter hulp komen. Nu vergeet ik hoe hij heet, helpt er mij eens op.

HELSCH, bijv. nw., en bijw.. = Vlug, vinnig. Ge ziet er helsch uit. Onze onderpastoor is een helsche.

HELSCH, bijw.. = Zeer, uitermate, in de uitdrukk. : helsch donker en helsch kwaad (gram).

HEM. pers. vnw.. — Z. Wdb.. Ik heb hem gezien. Hebt gij hem gesproken ?

— mannel. en onz. enkelv.. = Zich. De knecht wascht hem. Het peerd keerde hem om. Z. Spr. bl. 27, nr i3.

— Wordt ook als gezegde gebezigd. Zijt gij de bestuurder ? — Ja, ik ben hem.

— (Kinderspel) Hem zijn, de maat zijn die , in het katjesspel, achter de andere gezellen loopen moet, de kat.

HEM(D), HEMDE. z. nw., o.. — Z. Wdb..

Haakt in 't meerv. hemdens.

Spr. : Het hemd is nader als de rok, eerst voor bloedverwanten, dan voor vreemden. Zeven hemdens aanhebben van blijdschap, zeer blijde zijn. t Geluk heeft geen hemde aan, er is meest geluk in armoede te vinden. Nog een schoon hemieken, bij de kinders , nog eene week te wachten. Een boerin in 't dorp ts een hemd tegen draad , zij weet niet hoe er te leven. Geen hemd aan zijn lijf hebben, zeer arm zijn.

HEMDE. z. nw., o.. — Z. Hemd.

Z. Verdam , die ook de vormen hemede, heemde, himmede en himde geeft.

HEMDEBAND, z. nw., m.. = Hemdsboord. S.

Ook hemdsband.

HEMDEKEN, z. nw., o.. = (Kruidk.) Winde, Convolvulus sepium, liseron des haies, fam. Convolv..

Ook Ons-lieve-Vrouwenglazeken, klokskenswinde, M oedergodsglazeken.

HEMDEKNOPKEN, z. nw., o.. = (Kruidk.) Wilde dragon, Achillea ptarmica, flor. plen., millefeuille doublé, fam. Comp..

Ook keuningin der velden.

= Ranunculus aconitifolius, flor. plen., bouton d'ar-

gent, bellepucelle de France, fam. Ranunc..

= Draadtak , Spircea prunifolia, fam. Rosac..

De twee laatste ook knopkens, perelblommeken, matekensblom, O. L. Vr. hemdsknopkens en]witte knopkens.

HEMDSBAND, z. nw., m.. — Z. Hemdeband. C. D. S. T.

HEM(D)SKNOP, z. nw., m.. = Hemdsknoop.

HEM(D)SSLEP, HEM D)SVAAN, z. nw., vr.. = Hemdeslip.

HEMEL, z. nw., m.. —Z. Wdb..

Spr. : Van mond ten Hemel gaan, recht naar den

Sluiten