Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOG-, bijv. mv. en bijw . — Z. Wdb..

Spr. : Zoo hoog als de kerk, de lucht, de toren, de toren van Babel Iets hoog en heilig beloven, zeer plechtig. Iets bij 1 oog en bij leeg beloven of zweren, zeer plechtig. Onthouden van twaalven tot hoog noen, weinig of geen geheugen hebben. Het hoog ophebben, hooveerdig zijn. Het is hoog water, wordt gezeid op iemand die weent of weenen gaat.

— (Boer) Hooge kerre, kar op twee wielen en met twee draagboomen.

— (Schipp.) Hoog in den wind liggen, varen met de zeilen zeer dicht aangespannen ; zulks wordt gedaan in het gangen halen, als het schip bijna stevelings den wind inloopt. Hoe hooger het schip in den wind ligt, hoe sneller het vaart. Men zegt ook : hoog aan den wind liggen, hoog in of aan den wind loof en.

HOOGAARS. HOOGAAHST, z. nw„ m . = (Schipp.) Roeiboot met vooruitstekenden kop en zweerden. De hoogaarsen zijn bijzonder geschikt tot het vletten.

HOOGDAG, z. iw., m.. — Z. Wdb.,

Ook hoogedag.

Spr. : Omtrent de hoogdagen zijn de zotten het felst.

HOOGDE, z. nw., vr.. — Hoogte. C. D.

Z. Hoogede bij Verd., die ook de vormen hoochde en hogde geeft.

HOOGE, z. nw., m.. = (Schutter) Bovenste vogel der prang. Hij heeft den hoogen geschoten.

— in't meerv.. = Partij van de spelers die, vóór het spel, de hoogste kaarten getrokken hebben. Z. ook leege.

— o.. = Land dat hoog gelegen is. Op den hoogen plant men vroeger patatten als op den leegen.

HOOGEN, werkw., overg.. —Z. Wdb..

— Hoogens, uitroep in't marmelspel waarde speler door vraagt de hand te mogen opheffen bij 't schieten , in plaats van de hand op den grond te houden.

— Hoogens niet, door dien uitroep wordt het recht van hoogens afgeweerd.

— onov. [hebben). = Een hoogeren prijs bieden. Ge meugt niet meer hoogen, want ge zijt al boven de weerde.

Bij V. : een bod hoogen.

HOOGEN, z. nw., o.. — Het hoogen van Ons Heer, de groote elevatie in de misse juist na de eigenlijke Consecratie. C.

HOOGERIK, z, nw., m.. = Zolder.

HOOGGELEED (zachte e), bijv. nw.. = Fier, hooveerdig. Zij zijn hooggeleed : ge ziet het aan hun kleeren , maar daar zit niet veel achter.

Bij D. hooggelegen en hooggeleid; bij S. hooggeleid.

HOO(G)MISFRAK , z. nw., vr.. = Beste frak , beste kleeren.

HOOGSTE, z. nw., o.. — Z. Boven.

HOOGTEN (scherpe o), werkw., onov, (hebben). = (Marmelspel) De handen hooger houden. Om te kunnen schieten moet ge soms hoogten.

— wederk.. = Zich haasten om weg te zijn. Hoogt u !

HOOGTING, z. nw., vr., HOOGTINGSKEN, o,. = Hoogte. Ziet eens wat een hoogting die pijl vliegt.

HOOGTIJD, z. nw., m.. — Z. Wdb..

— Iemand den hoogtijd dragen, de H. Communie. D.

HOOGTJES, tusschenw.. = Hoogens. Z. Hoogen.

HOOGWEERDIG, z. nw., o.. — Z. Allerheiligste.

HOOGWEERDXGDAG, z. nw., m.. = HeiligSacramentsdag.

HOOGZAAL, z. nw., vr. en o.. = Oksaal. V. S. K. loens chori editior.

HOOI, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Niet veel hooi over den balk te rooien hebben, arm zijn, vooral van boeren gezeid. 't Hooi is niet altijd veur de werkende peerden, men krijgt niet altijd loon of eten naar werken. Hooi op zolder, iets dat men voor 't oogenblik nog niet gebruiken kan ; — koop geen hooi op zolder.

HOOIBEESTJE, z. nw , o.. — Z. Donderbeestje.

HOOIKAR . z. nw., vr.. — In de vergel. : Zoo dom loopen als een hooikar, op een licht rijtuig dat niet goed rolt.

HOOIING . z. nw., vr.. — Al het hooi van eene en dezelfde plaats, zooals het schor, den dijk, enz..

HOOIMEE(R)SCH (zware e), z. nw., m.. = Weide van hooigras.

Spr. : Een hooimeersch moet op de vork droogen, om het hooi droog te hebben , moet men het gedurig keeren.

HOOISCHELF, HOOISCHELFT, z. nw., m.. (niet vr.). = Zolder boven de schuur of den stal, waar het hooi gestapeld wordt. C. D. S. K. tabulatum foenarium.

Bij V. : « een ronde of vierkante stapel stevig opgetast hooi. »

HOOKEN , werkw., onov. (hebben). = Jeuken. C. S.

Bij T. hueken.

Ook luiken.

— Hook het u, krab het u, antwoordt men al lachende aan iemand die zegt : ik heb kooksel.

HOOKSEL , z. nw., o.. = Jeukte. S. Hebt gij hooksel ? Ge schommelt zoo !

Ook huuksel.

HOOMES , HOOMIS , z. nw., vr.. = Hoogmis.

Bij Verd. homisse, hoomisse, hoemisse en oemisse.

HOOP (zachte o), z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Tusschen hoop en vrees moet ge zalig worden. Zoolang als er leven is, is er hoop, op zieke menschen.

Sluiten