Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HU. tusschenw.. — Roep der voerlieden om hun peerd te doen voortgaan.

Gewest, bij V..

Ook ju!

HUCHEL, z. nw., m.. = Begeerte, verlangen, karakter, doenwijze. Als ik een maand bij hem woonde, kende ik al heel zijnen huchel.

Ook hukkel.

HUIBEKEN, z. nw., o.. = (Vogel) Steenuil, Athene nocttm, chouette chevéche.

Ook huiben , huiven en keesnil.

Zuidned. zegt V..

HUIBEN. z. nw., m.. — Z. Huibeken. S.

Zuidned. bij V..

— = Dommerik, spotwoord. O gij dwaze huiben.

HUID , z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Gep. woord. : Met huid en haar. Z. Iiaar.

HUIK, z. nw., vr.. —Z. Wdb..

— = (Schipp.) Deksel dat over het voorste deel van een open schip kan gespannen worden, waardoor

• dit gedeelte dienstig wordt voor nachtverblijf.

HUIKER, z. nw., m.. = (Boer) Kleine hoop, vierde van eenen opper. Het hooi wordt eerst in huikers en later in oppers gezet. Een dubbele huiker is een halve opper.

Ook hukkel mg.

Bij S. huikeling. hukkeling, huikei en huklul; bij T. en R. heukel.

HUIKHENGST, z. nw., m.. = (Schipp.) Hengst zonder vooronder. Desnoods worden deee booten op de plaats van den vooronder met zeildoek overspannen, waar de manschap dan tijdelijk hare woonplaats heeft.

HUIL , z. nw., m.. = Schreeuw, kreet, gerucht als men huilt. Nen huil opnemen of ophalen, op eens zeer hard schreeuwen.

Z. Huul bij Verd..

HUILAARD, z. nw., m.. = (Boer) Plaats der schuur nevens den dorschvloer, waar men het ongedorscht graan stapelt.

Bij C. : « Eene plaats in oude schuren onder het afhangend dak. »

Ook winkel.

HUILEN , werkw., onov. [hebben). — Z. Wdb..

Spr. : Huilen met de honden of de wolven die in den bosch zijn. Z. Hond.

HUILT, tusschenw.. =Halt. Huilt zulle, zoo niet geboerd !

HUIPEHKEN, z. nw., o.. = Ring. Z. Hipperken.

HUIS, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Doen gelijk een kind van den huize, vrij handelen alsof men in familie ware. Geen letter kennen zoo groot ah een kuis of schuur. Huis noch staak zien, niets. Met zijn verstand van huis zijn, verstrooid. Als zoo iets gebeurt, is hij te huis, heeft hij zijnen

zin. Huizen zijn luizen of kruisen. Als de kat van huis is, houden de muizen kermis of spelen de muizen in 't meel of dansen de muizen op tafel, meesters , blijft te huis. Waar geen huizen staan, daar kunnen geen menschen wonen, ge moet de aardappels dichter planten. Iemand niet thuis kunnen brengen, niet kunnen zeggen wie hij is en waar hij woont. Van iets thuis gekomen zijn, het niet meer doen. Ieder /misken heeft zijn kruisken. Nu zijn wij nog verder van huis, als een onverwachte tegenslag ons het voltrekken van een werk belet. Van alle merkten thuis gekomen zijn, ervaren, doortrapt zijn. 't Zijn rijke menschen die huizen bouwen en geil houen. In iets thuis zijn, het zeer goed kennen.

— = Ronde gronds die eenen boom bekleedt.

— Z. Wdb..

Spr. : Lomper zijn als 't huis van een bijl.

— = (Boer) Achterdeel der ploeg, opening tusschen het strijkhout en den riester.

HUISBEENHOUlWEjR, z. nw., m.. =Slachter die zijn vleesch alleenlijk te huis en niet op de merkten verkoopt.

HUISHOUDEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb..

Spr. : Dat helpt huishouden, dat brengt voordeel en winst bij. Met hem is geen huis te houden, geene overeenkomst mogelijk.

HUISKEN , z. nw., o.. — Z. Wdb..

— = Gemak, bestekamer. C.

Ook vertrek.

— = Langwerpig snoepding der kinderen, in papier gerold en van gebakken siroop gemaakt.

— = Dop, deksel van graangewassen. De boekweit zit in huiskens.

HUISKLOK, z. nw., vr.. = Uurwerk, hangende in een staande kas.

HUISRAAD . z. nw., m., (niet o.). — Z. Wdb.. C.

Huusraet, bij Verd., m. en o..

HUIVEN , z. nw., m.. — Z. Iluibeken.

HUIVETTER, z. nw., m.. = Huidvetter.

HUIZEKEN. z. nw., o.. - Z. Wdb..

In het raadsel op mond , tanden en tong : Een rond huizeken,

Witte stoelekens,

En een rood tapijteken.

HUK, z. nw., m.. — Op zijnen huk, op zijn huksken, gehurkt. D. S. T. R.

Gewest, bij V..

— Huksken trekken Kinderspel. Een gezel zet zich op zijn huksken en geeft eene hand aan twee anderejongens die hem zoo over de sneeuw of het ijs voorttrekken. Men gebruikt ook soms eene koorde waar men aan trekt.

Het gebeurt ook dat de gezel in plaats van zich op zijn huksken te zetten, zijne houten blokken onder zich plaatst en die zoo gebruikt tot ijsstoel.

Sluiten