Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN-DEN-WEG (klemt, op in), z. nw., m.. — Persoon of zaak die geen voordeel, maar eer vertraging in een werk veroorzaakt. Weg ! kleine jongen, ge kunt hier niets verrichten, ge zijt maar een-inden-weg.

INDIENEN, werkw., overg.. = Doen kennen. Als er iemand sterft in een huis, moet ge dat indienen op het gemeentehuis.

INDOEFELEN, werkw., overg.. - Warm, dicht, dik aankleeden. Als ge buitengaat, moet ge (er) u goed indoefelen, want het is geweldig koud. Kind, ik zal u warm indoefelen, dan meugde meegaan naar de stad.

Ook Moffelen en induffelen.

INDOEN, werkw., overg.. — Zaad indoen, het zaad in den grond doen, tzij met het onder te rijden, te slechten of te overschieten.

— = Inkoopen, opdoen. C. S. We zullen veur den Winter heel ons gerief indoen.

Zuidned. bij V..

INDOFFELEN, werkw., overg.. - Z. Indoefelen. S. T. R.

INDRAAIEN, werkw., onov. [zijn). = Inslaan, volgen. Als ge naar de kerk komt, moet ge rechts indraaien.

Ook inkeeren.

INDRAGEN, werkw., overg.. — (Wev.) Een stuk

tndragen, het geweven goed naar de fabriek dragen of voeren.

INDRIEGEN, werkw., overg.. = (Kleermak.)

Ai driegende mhechten. Een voering indriegen.

INDRIJVEN, werkw., overg.. —Z. Aandrijven.

INDUFFELEN, werkw., overg.. — Z. Indoefelen. S.

INEENFLIKKEN, werkw., overg.. = Spoedig en met gemak ineenzetten. C. T. R.

INEENGAAN, werkw., onov. (hebben). = Samengevoegd worden, in malkander passen. Al die stukken gaan ineen, en maken een schoon meubel uit.

— (zijn). = Versmelten, vermengen. De kleuren zijn 'neengegaan , ge ziet noch zwart, noch wit, 't is al vuilgrijs.

INEENHANGEN, werkw., onov. (hebben). = Verward in elkander zitten. C. T. R. Al de koordekens hangen ineen, ge zult ze moeilijk ontwarren.

INEENKAVELEN, werkw., overg.. = (Timmerm.) In elkander kavelen. C. S. T. Twee stukken hout ineenkavelen.

INEENKLESSEN, werkw., wederk. en onov. (zijn). Vast in elkander hangen. De drij slangen klesten heur ineen. Heur haarvlechten waren deur den regen ineengeklest.

INEENKOEKEN, werkw., onov. (zijn). = Tot eenen koek, éene massa worden. S. De wol van uw matras is heel en gansch ineengekoekt.

INEENKRIJGEN, werkw., overg.. = In elkander gevoegd krijgen. C. T. R. Ik zal die stukken van 't geweer niet meer ineenkrijgen.

INEENLAPPEN, werkw., overg.. = Spoedig en zorgeloos ineenbrengen. T. R. Als ge haastig zijt, zal ik de deur ineenlappen, om er dan later nog eens goed aan te werken.

INEENSCHIJTEN, werkw., onov. (zijn). = Inzakken. Als ge er geen steunen onder zet, zal heel de mijt ineenschijten.

INEENSTUIKEN, werkw.. onov. (zijn). — Ineenstorten. T. R. Dat huiske was zoo rot dat het vanzelf ineenstuikte.

INEENVALLEN, werkw., onov. (zijn), = Ineenstorten. T. R.

INEENWARRELEN , werkw., onov. (zijn.) — Gansch in de war zijn. Heel de streng garen is ineengewarreld.

INEENZITTEN, werkw., onov. (hebben). — Z Wdb..

— = Bestaan , zijn. Zeg mij eens hoe die zaken ineenzitten, want ik versta er niets van.

INEGEN, werkw.. overg.. = (Boer) In den grond eggen. Zaad inegen.

Bij C. ineggen ; bij S. i'neggen en ineggenen.

Ook inslodderen.

INEIN, werkw., overg,. — Z. Inhebbcn.

INFORMEEREN, werkw., wederk.. — U op iets informeeren, zich over iets inlichten.

onov. (hebben). Naar iets informeeren, over iets inlichtingen nemen.

INFRETTEN, werkw., overg. en onov. (zijn), = Invreten. Het roest fret 't ijzer in. Het ijzer fret in.

Bij C. infrèten.

ING, achtervoegsel. — Buiten zijne gewone beteekenissen, dient die uitgang om, achter zelfst. nw., verzamelwoorden te maken. C. D. IJzering, enz..

— Achter bijv. en zelfst. nw. maakt hij verscheiden namen van appels. S. Streping, groening.

ING, bijv. nw.. = Eng, nauw. K. inghe ,j. enghe = augustus. De hals van de flesch is te ing.

INGAAN, werkw., overg. en onov. (zijn). —Iets ingaan, er wel ingaan, overwegen. S. Als ik 't wel inga, moet ik hem gelijk geven.

INGDE , z. nw., vr.. — Z. Engde.

INGEBORENTHEID, z. nw., vr.. — Z. Geboorte. C.

37.

Sluiten