Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JOLE, z. nw., vr.. = Sloor, sulachtig vrouwmensch , spotnaam. K. jool. j. soole = stulta, ignava muiier. Een goede jóle. Ze lachten mee heur, en die jole zei niets tegen.

Bij S. joole.

JONAS, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : 't Lol valt altijd op Jonas, eens ongelukkig, altijd ongelukkig.

— = Onnoozele , dwaze.

JONG, bijv. nw.. —Z. Wdb..

Spr. : Jong gewend is oud gedaan, op gewoonten in de jonge jaren opgedaan. Beter jong gestorven als oud bedorven, op kinderen die vroeg sterven. Jong getrouwd is jong berouwd. Jong rijs is licht om buigen , over de gebreken in jonge jaren.

— = Ongehuwd. S. Hij is niet van zin van te trouwen , hij zegt dat hij jong blijft.

JONGEDOCHTER, z nw., vr.. — Z. Wdb.

— Oude jongedochter, oud ongehuwd vrouwspersoon. C.

JONGEN, z. nw., m.. — Z. Wdb..

— Gemeenzaam, vriendelijk, geenszins onbeleefd toevoegsel, in de samenspraak van manflen en knapen. C. Toe , Jan jongen , doet dat eens !

Z. ook kind, man, meisken , mensch en schaap.

JONGENS ZONDER LIEFDE, z. nw., m., meerv.. — Z. Beverblommeken.

JONGENSZOT, z. nw., m.. = Jongensgek, sprekende van meiskens.

JONGEREN, z. nw., o. (?), meerv.. = Jongen van dieren.

In 't enkelv. bezigt men meest altijd jongsken. Ons konijn heeft maar éen jongsken. Onze hond heeft vier jongeren of jongskens.

Spr. : levers met jongeren liggen, er om zoo te zeggen zijnen blijven, er zijn of onderwege; —de wind ligt met jongeren in 't Westen.

JONGEREN, werkw., onov. (hebben). = Jongen, jongen afleggen. S.

Wordt gezeid van honden , katten en konijnen.

Bij S. ook jangelen.

JONGSKEN . z. nw., o.. - Jong van een dier. De duiven liggen met jongskens.

Bij V. : « een zeer jong kind van het mannelijk geslacht. »

JONGTE, z. nw., vr.. = Jeugd. D. In zijn jongte was hij slap van gezondheid.

Bij D. ook jongde.

JONKERKEN, z. nw., o.. = (Kruidk.) Silene armeria, fam. Caryophyll., silene a bouquets.

Bij D. Dianthus barbatus.

Ook kruiskensblom en steenblommeken.

— Z. Duitsche jenoffel.

JONKHEID, z. nw., vr.. = Jonge mensch, C. D.

Uw broer ziet er mij een jonkheid uit van vijf en twintig jaar.

JONNEN, werkw., overg.. = Gunnen. C. S. K. jonnen, fland. j. gunnen = favere. Die cent is mij niet gejond, want hij ontvalt mij.

Veroud. bij V

Bij D. junnen,

Z. dien vorm bij Verd. op Gonste.

JONST, z. nw., vr.. = Gift,' aalmoes. S. Op uw jonste mag ik ook wel rekenen, zeker ?

JOOD , z. nw., m.. — Z.Wdb..

Spr. : Spotten, liegen gelijk een Jood. Naar iets zot zijn gelijk de Joden naar verhenvleesch, scherts, het geenszins verlangen.

JOOSMIEN, z. nw, vr.. = (Kruidk.) Syring , syringa vulgaris, fam. Oleac., lilas commun.

Ook tronkblom.

JOOST (Fransche j), bijv. nw. enbijw.. = Juist.

Ook just.

Spr. : 't Is joost, zei Pier van Oost.

JOOZEKEN , z. nw., o.. — Z. Deezeken.

Bij R. Juzeken.

JOOZES (Fr.j), tusschenw.. — Z. Djeemenis.

Bij T. joezes,

JOP (Fransche j). — Jop dansen. Z. Jup.

JU, tusschenw.. — Z. Hu. C. S. R.

Bij D. jui.

JUBILÉ (Fransche j), z. nw., m., (niet o.). — Z. Wdb.. C.

JUBILEEREN (Fransche j), werkw., onov. (hebben). = Zeer verheugd zijn. Hij jubileert omdat ik verloren ben, dat is niet wel.

JUCIES, z. nw., m . = Peerdenvleesch, uit spot.

JUDAS, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo valsch, gierig als Judas.

JUDASBO(R)S, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Vingerhoedskruid, Digitalis purpurea, digitale commune, fam. Scrophul..

Bij D. caleeolaria.

JUDASTRANEN, z. nw., m. meerv.. =(Kruidk.) Hypericum bacciferum, H. grandijlora, millerpertuis, fam. Hyper..

JUFFERBLOM, z. nw., vr.. = (Kruidk). Horteia Japonica, spiréedu Japon, fam. Saxifr..

Ook struikjasmijn en struikjoosmieneken.

JUFFERKENS IN 'T HAAR, z.nw.,o„ meerv.. — Z. Blauwe spinnen.

JULIANE MAHON, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Hesperis maritima, Julienne de Mahon, giroff.ee de Mahon, fam. Crucif.. D. geeft devotekatoen.

JULIJ, z. nw., m.. = Juli. C.

Sluiten