Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen en andere bekendmakingen aan de kerk, bij het uitgaan van de hoogmis , afgelezen. De lezer staat dan in een kotje in den stijl van het hek der kerk gemaakt.

Ook ten kerkstijl uitlezen.

Bij D. kerksteen.

KERKSTIJL. z. nw., m.. — Z. Kerkstichel.

KERKSTOEL, z. nw., m.. = Stoel met hooge leuning dien men in de kerk bezigt.

Ook leenstoel en leunstoel.

KERKUIL, z. nw., m.. — Z. Wdb..

— = Spotnaam op iemand die veel in de kerk zit. R.

KERKWEGEL, z. nw., m.. = Smal voetpad dat van de groote straat naar de kerk loopt. D.

KERKWERK, z. nw., o.. = Mets- of timmerwerk dat zeer kloek en duurzaam is. S R.

— = Werk dat traagzaam vordert.

KERKZWAALM, z. nw., vr.. — Z. Kerkspreeuw.

— = (Vogel) Chelidon urbica, chélidon de fenétre.

Ook torenzwaalm en witgatje.

KERMENEI, z. nw.,vr.. — Z. Karmenade. C.

KERMES, z. nw., vr.. — Z. Kermis.

KERMESSEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Kermissen.

KERMIS, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Ik zal u te fluit een kermis koopen , schijnbare belofte om kinderen te paaien. Een kermis is een geeseling weerd. Als iemands hemd uit zijne broek hangt, zegt men : het vaantje*steekt uit, 't zal morgen kermis zijn.

— = Feestmaal. C. D. S. Vader is van de reis weergekeerd, wij gaan vandaag kermis houden.

— = (Schertsende) Leven; rumoer, gekijf. C. D. T. 't Zal kermis zijn , jongen , als vader te huis komt en hoort dat gij stout geweest hebt. 't Was kermis in de school, als de meester weg was.

— = Drinkgeld dat, boven hun gewoon loon, aan knechten en meiden gegeven wordt. Gewoonlijk wordt die kermis in twee keeren gegeven : i° Als de dienstboden zich verhuren , of als zij ingehuurd worden ; die kermis heet meikermis, meest inhuurkermis. 20 Als de oogst binnen is , en die heet oestkermis.

Spr. : Zijn kermis weergeven , verhuizen.

KERMISFOOI, z. nw., vr.. = Fooi op de kermis, kermismaal.

KERMISGAST, KERMISJONGEN, z. nw., m., KERMISKAT, z. nw., vr.. — In de vergelijk. : Zoo blijde als een kermisgast, als een kermisjongen, als een kermiskat, zeer blijde.

Zoo ook als een kermisvogel, als een kermiswagen.

KERMISSEN, werkw., onov. (hebben). = De kermis vieren. C. D. T.

— = In 't algemeen, feest vieren. C. D. Als de burgemeester ingehaald is, dan hebben wij gekermist.

KERMISSTUK, z. nw., o.. = Geschenk , eten of anders , op kermis aan de bedelaars gegeven.

KERMISVOGEL, z. nw., m.. = Die geerne naar de kermissen gaat. C.

Ook kermiszot.

— Z. Kermisgast.

KERMISWAGEN, z. nw., m.. — Z. Kermisgast.

KERMISWEER (zachte e), z. nw., o.. = Schoon weer.

KERMISZOT, z. nw., m.. — Z. Kermisvogel.

KERN, z. nw., m.. = Hard broksken zand. Bij den steenbakker mogen er geene kerns in 't zand zijn.

— Kernen. Z. Kamen.

KERNALIEVOGEL, z. nw., m.. = Kanarievogel.

KERNBROOD, z. nw., o.. — Z. Karnbrood.

KERNE(N)MEEL, z. nw., o.. — Z. Karnenmeel.

KER(N)E(N)PAP, z. nw., m.. — Z. Karnenpap.

KERNSEL, z. nw., o.. = Hoeveelheid boter door éen vat melk bekomen.

KERPEL, z. nw., m.. = Karper. C. D.

KERRE , z. nw., vr.. — Z. Karre en al de samengestelde woorden met karre. K.

KERREKIET, z. nw., m.. — Z. Karrekiet.

KERREKIETEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Karrekieten.

KERREKIETSPEL, z. nw., o.. — Z. Karrekietspel. -

KERREL, z. nw., m.. = Kern , steen. De kinderen spelen dikwijls met kerrels.

KERREMBOL, z. nw., m,. — Z. Carambol.

KERREMEL (klemt, op mei), z. nw., vr.. — Z. Caramel.

KERREN, werkw., overg.. — Z. Karren.

KERS, z. nw., m., (nietvr.). —Plant, cresson. C.

KE(R SAVE(N)D, z. nw., m.. = Kerstavond.

Spr. : Iiersavetifl vraagt 'nen kersblok.

KE R)SAVËLBLOK. z. nw., m.. = Groote houten blok , dien men aan den heerd legt en die heel lang kan branden en het vuur aanhouden. C.

Ook kersblok.

KERSBLOK. z. nw., m.. — Z. Kersavend en Kersavelblok. C. S.

KEiR STDAG, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Vorst veur Kerstdag geeft of doet geenen afslag. Sneeuw veur Kerstdag is mes op 't lijnzaadland. Een

41.

Sluiten