Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— onov. [hebben), = Zijn ambt van kiezer uitoefenen. Wij moeten de naaste week veur 'nen volksvertegenwoordiger kiezen.

KIEZING, z. nw., vr.. - - Verkiezing, élection.

Z. Verdam.

KIJFKEUT, z. nw., vr.. — (Kaartspel) Het is een kijfkeut, zegt men, als men een spel heeft dat te goed is om te passen en te slecht om te vragen.

KIJK. — Z. Raadsel op Schaap.

KIJKBUIS, z. nw., m.. = Verrekijker.

KIJKEN, werkw., onov. enoverg.. —Z. Wdb.. Kijk eens naar hier. Laat mij dien boek eens kijken.

Vergel : Kijken gelijk een hond op een zieke koe, onnoozel staan zien.

— Aardig kijken , verwonderd zien. Wreed kijken , met dreigende oogen. Leelijk kijken, zich misnoegd toonen. Schoon kijken, smeekende zien, D.

— levers staan te kijken, niets doen. Spitte hij niet ? — Neen, hij stond te kijken.

KIJKER, z, nw., m„ = Lattenkooi langs waar de duiven in en uit hun hok gaan. C. S.

Ook duivenkijker. Z. dit w..

— = Rond of halfrond vensterken langs den gevel. Hij lag deur 'nen kijker mij af te spieden.

KIJKUIT, z. nw., m.. = (Schipp.) Omsloten plaats op eene zekere hoogte in den voorsten mast aangebracht, waar, bij groote schepen , bestendig gewaakt en naar gevaren uitgezien wordt.

KIJKUITWORTEL (klemt, op uit), z. nw., m.. = (Boer) Wortel die een deel boven den grond uitsteekt en er groen uitziet.

KIJT, z. nw., vr.. = Vischkuit. D. K. ovapiscium.

Gewest, bij V..

— = Kijter, wijfkensharing.

Z. ook kiet.

KIJVEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb .

— Kijvens krijgen, bekeven worden.

Spr. : Kijven doet geen zeer en slaan duurt niet lang.

— = Eten, al schertsende.

KIK, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Gep. woord. : Kik noch mik geven, noch geluid, noch beweging.

KIK, z. nw., vr.. = (Vogel) Soort van kleine meeuw die zeer levendig in hare beweging is en plotseling onder water schiet als zij eenen visch bemerkt.

KIKKELACHTIG, bijv. nw.. = Genegen tot het kikkelen. Hij is een brave vent, maar in 't kaarten is hij buitengewoon kikkelachtig.

KIKKELAS, z. nw., vr.. — Z. Kakelas.

KIKKELEER (zware é), z. nw., m.. — Z. Kakeleer.

KIKKELEER (zware e), z. nw., m.. = Pin, soort van spiering.

KIKKELEN, werkw.,onov.(hebben). —Z.Kakelen.S.

KIKKELING, z. nw., vr.. = Twist, krakeel. Laat die fout onverlet, zij is te klein om daar een kikkeling over te maken.

KIKKEN, werkw., onov. (hebben). — In de gep. woord, kikken noch mikken, zich zeer stil houden. D Als uw portret getrokken wordt, meugt ge noch kikken noch mikken.

KIL, z. nw., m.. = Koude, killigheid. Ge moet bij 't koud water wat warm doen , totdat er de kil goed uit is. Een zwemmer, om den kil te breken , wrijft eerst eenige keeren zijn borst met koud water.

Bij C. onzijd..

KIL, z. nw., vr.. = Kleine baai, bijzonder bestemd als ligplaats voor de schepen. C. K. statio , locus in littore sinuosus.

— = Ondiepe gracht met zachte helling waar de koeien in te wed gaan.

— = Toegang van eenen waterput.

KILLEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Kippen (Schipper).

KILLEN, werkw., onov. (zijn). = Kil worden. Het weder begint te killen rond einde September.

KILO, z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb..

Spr. : Alle kilos wegen niet even zwaar, die er verstandig uitzien, zijn 't niet altijd evenveel.

KILOKEN, z. nw., o.. = Brood van eenen kilogram.

KILSPUT, z. nw., m.. = Kleine voor die het water van de halsvoor naar den sloot leidt.

Ook kilsvoor.

KILSVOOR, z. nw., vr.. — Z. Kilsput.

KIM, z. nw., vr.. — Z. Bezet.

— = (Wever) Uitstekende schijf op de twee uiteinden van eene tuit.

— = (Schipp.) Buitendeel van het schip waar het vlak met de boorden samenkomt. V..

— = Snede die in elk graantje der tarwe te vinden is.

KIMMING, z. nw., vr.. = (Kuiper) Plaats waar de bodem van eene kuip in de duigen zit.

KIMWIS(CH), z. nw., vr.. = (Mandenmak.) Kloeke wisch gebruikt om de kim der mande te maken.

KIMPLANK, z. nw., vr.. = (Schipp.) Breede plank van een schip, die het vlak met de boorden verbindt.

KIND , z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo onnoozel als een pasgeboren kind, eenvoudig, dom. Het is geen weer om kinderen te veranderen, als 't lang schraal weer is. Als de kinderen hunnen zin doen, dan krijschen ze niet, al schertsende, op groote menschen. Het kind moet 'nen naam hebben , men verduikt de ware oorzaak. levers zijn gelijk

Sluiten