Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KLAKPOTTEN, werkw., overg., onsch,. — Z. Kladpotten. D. S.

KLAKPOTTER, z. nw., m.. = Kladschilder. D. S.

KLAKTOUW, z. nw., vr.. — Z. Gens.

KLAMMIG, bijv. nw.. = Klam, vochtig. C. S. Uw kleeren zijn klammig van 't zweet.

KLAMMIGHEID, KLAMPIGHEID, z. nw., vr.. = Klamheid. C. S.

KLAMP, bijv., nw.. = Klam , vochtig. C. D. S. T. R. K. humidus. Het lijnwaad is klamp, van tegen die vochtige steenen te liggen.

Ook klampig.

KLAMP, z. nw., vr.. = (Timmerm.) Regel of lat, die ergens aan genageld is en dient om eene plank te ondersteunen. C. K. uncus campago. De schappen in een boekenkas rusten op klampen.

Z. Clam bij Verdam.

— = (Blokmak.) Uitgekapt deel van den schoen dat gaat van den tert tot aan den hiel.

De schoenmakers heeten het de kreuk.

— = (Timmerm.) Stuk hout dat doorgaans op zijne breedste zijde op verscheiden vereenigde planken is vastgemaakt om deze aan elkander te verbinden. C.

— = (Metser) Groote hoeveelheid bouwsteenen die, in een stapel, rond het metselwerk is aangebracht om deze steenen met meer gemak den metser aan te geven.

KLAMPEN , werkw., overg.. = (Metser) Stapelen, tassen, sprekende van bouwstoffen. Steen klampen.

— = Vastgrijpen, pakken. C. T. R. K. prehendere. Wij zullen dien dief wel eens klampen.

KLAMPENBEEN, z. nw., o.. = (Dijkw.) Een van de drij bokkebeenen eener heischalk dat op gansch zijne lengte voorzien is van klampen langswaar men tot in den.top der schalk klimmen kan.

KLAMPER, z. nw., m.. = (Vogel) Falco oesalon, faucon émérillon.

Ook klampvogel, musschenklamper, musschenp akker, musschenstekker, scherpe, sprewaal, steekvogel en stekvogel.

— Z. Duivenklamper.

KLAMPER, z. nw., m . = Deel van oude vrouwenmutsen dat langs beide ooren, gelijk een vleugel, neerhangt'

— = Vrouwenmuts met vleugels.

KLAMPERSNEUS, z. nw, m.. = Arendsneus.

KLAMPIG, bijv. nw.. — Z. Klamp.

KLAMPSTEEN, z. nw., m.. = Rupelmondsche steen. C.

KLAMPVOGEL, z. nw., m.. — Z. Duivenklamper en Klamper, K. accipiter.

Z. Clamvogel bij Verdam.

KLANK, z. cw., m.. — Z. Wdb..

— Met klank, zonder omwegen. Hij is met klank aan de deur gezet.

KLAP, z. nw., m.. = Daad van te kouten , te spreken. C. Met iemand aan den klap zijn. Iemand aan den klap houden.

— = Praat, geklap. C. S. Slechten klap vertellen. Ik stoor mij niet aan den klap van de menschen.

Spr. : Klap tegen den vaak, dwaze praat.

— Veel klaps hebben, veel praten, stout of onbescheiden spreken.

— Klap maken van iets , iets voortvertellen, het ruchtbaar maken.

KLAPPEN, werkw., onov.. = Spreken, kouten. C. D. S.

Spr. : Vragende lien maken klappende hinderen. Dat spreekt zonder klappen, is zeer klaar. Klappen is niets, maar zingen is geld, zei de koster. Dat klappen oorden waren, dan hadde ik er veel of daar ware geen geld ie kort. Eerst klappen en dan pakken : eerst overleggen , dan doen, Klappen gelijk een ekster.

— overg. en onov.. = Vertellen, uitbrengen. D. Ge

meugt dat niet klappen.

Spr. : Uit de biecht, uit de school klappen, geheimen vertellen. Die zijn z<iken klapt, is zijn winste beu.

— In en uitklappen. Z. I11.

Volgens V. wordt klappen (praten) alleen van zekere vogels gezeid. Hier klappeu niet alleen zekere vogels , maar al de menschen.

KLAPSCHOTEL , z. nw., vr.. = Vrouw die veel praat, die achterklap vertelt. S.

Spr. : Gij danst op de tong van een klapschotel, er wordt kwaad van u gezeid.-

KLAPSMOEL, z. nw., vr.. = Iemand die praatziek is, die geheimen uitbrengt.

KLAS , z. nw., m.. = Overschot van eten of drinken. C. Daar blijft nog een klas.

Meer klets.

KLASDUVEL. KLASPOT, z. nw., m.. = Klasser.

KLASPES. KLASPUS, z. nw., m,. = (Kruidk.) Thlaspli, Heris var, tabouret, ibéride, fam. Crucif.. D. vert. Thl. door dukaat, patakon en stuiver.

Ook patakon en witte tafelkens.

KLASSEN, werkw., overg. en onov.. = Storten, laten vallen. C. Een gulzig verken klast dikwijls zijn eten.

KLASSER ,z.nw.,m,. = Die klast.

KLAT, z. nw., vr.. — Z. Klad.

— = (Boer) Kleine hoop hooi. Ons hooi is nog niet ver gevorderd , wij liggen nog in klatten.

— Ik zal u bij de klatten pakken, u aanpakken.

V. ; bij de kladden, bij den kraag.

Sluiten