Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spr. : Daar ligt de knoop, de moeilijkheid. Den knoop deurhakken, tot een kloek besluit komen.

— = Knodde, geleding. Het koorn komt in zijn knoopen.

Z. Verdam op Cnoop, 4).

KNOOPEN , werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Het gaat aan gelijk bootten kttoopen. Z. Aangaan. Iets aan allemans neus knoopen, aan ieder vertellen. Ge moet splissen en knoopen , rijden en omzien, tering naar nering stellen.

— onov. (zijn). — Geledingen krijgen. Het koorn begint te knoopen.

KNOOPER, z. nw., m.. = Jongen of man die knoopen in de franje van geweven doeken maken.

KNOOPSTER (scherpe 0), z. nw., vr.. = Vrouw of dochter die knoopen maakt in de franje van geweven doeken.

KNOOPTUIT (scherpe 0). z. nw., vr.. = (Wever) Tuit met draad van wol of katoen, dien de wever gebruikt om een gebroken draad der keting te maken.

Ook lingtuit.

KNOOT (zachte 0). — Z. Kneut.

— = (Schoenmak.) Been dat men op de leest legt, als men eenen schoen moet maken voor iemand die, een gebrek aan den voet, bij voorbeeld, een eksteroog heeft.

KNOP, z. nw., m.. = Knoop. C. K. knoppe aen het kleed, globulus. Er is een knop van uw broek.

Zuidned. bij V..

Z. Verdam.

— Naar de knoppen zijn, ten onder gebracht zijn, verteerd , gebroken, niet meer te genezen. C. S. Al mijn geld is naar de knoppen. Nu ik mijnen lesten troef kwijt ben, is mijn spel naar de knoppen. De brouwer is naar de knoppen, hij heeft te veel gedronken.

— Loop naar de knoppen, naar den drommel. C.

Geen knop, niets. Ik geef geenen knop veur heel uwen winkel. Hij en heeft geenen knop meer.

— Schimpnaam op mannen. Onnoozele knop.

KNOPBEETEL, z. nw., m.. = (Blokmak.) IJzeren mes waar men de knoppen op de klompen mede snijdt.

Ook knopmes.

KNOPGAT, z. nw., o.. = Knoopsgat, boutonnière.

Bij C. knopsgat.

Spr. : Familie zijn in het zevenste knopgat, verre , haast geene familie zijn, schertsend gezegd. Ge hebt van een kind zoo gauw 'nen deugniet gemaakt als de kleermaker een knopgat.

— Plat knopgat, is een knopgat waarvan de draad, bij het maken , omlaag getrokken wordt.

Men zegt ook Fransch knopgat.

— Opgetrokken knopgat, waarvan de draad, bij het maken, omhooggetrokken wordt.

KNOPGATSBEETEL, z. nw., m.. — Z. Deurslag.

KNOPGATSTEEK (zachte e), z. nw., vr.. = (Kleermak.) Steek waarbij men den draad over de naald legt.

KNOPHAAK, z. nw., m.. = Houten handvatsel met een ijzeren haaksken aan waar men de leerskens der kinderen en vrouwen mede toeknopt.

KNOPKENPINNEN, werkw., onov. (hebben), scheidb.. — Jongensspel. Men maakt eene bos gelijk in 't schieten, waar men knoppen in steekt, diep in den grond. Die knoppen kampt of kapt men uit de bos met de non.

KNOPKENS, z. nw., o.. — Z. Hemdeknopkens., 20 en 3°.

— = (Kruidk.) Reinvaren , Tanacetum vulgare, tanaisie, fam. Compos.. D. vert. T. vuig. door temmerinde en tenkte.

Ook re invaart, reinvarik, reinvaring, varus en zevenzaad.

KNOPKENS VAN MARIA'S MANTEL, z. nw., o., meerv.. — Z. Gouden knopkens.

KNOPMES, z. nw., o.. — Z. Knopbeetel.

KNOPPEN, werkw., overg.. = Knoopen. Ge moet uw frak knoppen.

Zuidned. bij. V..

Z. Verdam.

KNOSSEL, z. nw., m.. = Verwarde zaak, bronsel. Het garen is een knossel, ik en kan 't niet uiteenkrijgen.

— = (Spinster) Knobbel, knoop in den draad.

— = Ondereengemengd eten. Wij zullen al die overschotten maar bijeengieten en er knossel van maken.

— = Duistere, moeilijke zaak. Hij heeft zijn boeken niet goed gehouden en dat is nu een knossel waar niemand uit wijs wordt.

— = Klomp bloed. De zieke spuwde nog 'nen knossel uit, vooraleer hij stierf.

KNOSSELAS, z. nw., vr.. = Vrouw die knosselt.

KNOSSELEER (zware e), z. nw., m.. = Iemand die slecht werk verricht, werkverbrodder.

— = Die met listen omgaat, bedrieger, die geen treffelijken handel drijft. Een knosseleer van 'nen vent.

KNOSSELEN, werkw., overg.. = In de war brengen. Gij hebt dat tuitje garen geknosseld.

— tusschenw.. = Verward worden. Ik kan de saai niet meer opwinden , zij begint te knosselen.

— = Ondereenmengen, van spijzen. De soep knosselen.

— onov. (hebben). = Broddelwerk verrichten, knoeien. Dat is niet naaien dat ge doet, dat is knosselen.

— = Met oneerlijke middel te werke gaan, weinig

Sluiten