Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KOEZWEEP (scherpe ü), z. uw., vr.. — Z. Koezeel.

KOF, z. nw., o., (niet vr.). = (Schipp.) Sterk zeeschip met een of twee masten wel gelijkende op een jacht. De kop is van zeer sterken bouw en is voorzien van drij berghouten, die het een boven het ander geplaatst zijn. V..

KOGEL, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Blauw als een hogel, paarsch. Rond als een kogel. Oogen gelijk kogels, schitterend en strak.

KOKAS, z. nw., vr.. = Kookster, kookvrouw.

KOKEN , werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Koken moet kosten , alle verteer vraagt geld. Kook het gelijk ge 't eten wilt, schik het naar uw gedacht. Koken en smoken, gedurig koken ; dat vrouwken zit den heelen dag deur te koken en te smoken. Als 'top is, is 't koken gedaan, als uw geld op is, kunt ge geene uitgaven meer doen.

KOKENETEN, z. nw., o.. — Kokeneten doen of spelen, spel van kleine meiskens waarin zij het gereedmaken van 't eten verbeelden. C. S.

KOKER, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Dat komt uit uwen koker niet, dat hebt gij niet uitgevonden. Ik heb nog andere pijlen in mijnen koker, nog andere middels, nog andere bewijzen te mijner beschikking.

KOKERNAGE, z. nw., vr.. — Het koken. Ik ga mijn kokernage cloen, d. i., mijn eten gereedmaken.

Bij T. en R, kokenage.

KOKXEN klemt, op kien), z. nw., m.. = Snoepding, bol gemaakt van siroop.

KOKKEDEI, z. nw., m.. — Roep der hen , als zij een ei gelegd heeft.

KOKKEDEIEN, werkw., onov. (hebben). = Kakelen , van de hennen, als zij gelegd hebben. De hen is bezig met te kokkedeien : ge zoudt zeggen iedereen moet weten dat zij wat goeds gedaan heeft.

Het wordt meest door moeders en kinders gebruikt.

Bij D. kokedekken, kokedikken en kakedikken.

KOLENLOSSER, z. nw., m.. = Werkman, die de kolen uit de schepen draagt. Kunt gij mij geen kolenlosser of vijf aan de hand doen, ik zou willen dat mijn schip op een week leeg ware.

Ook kooldrager en koollosser.

KOLEUR, z. nw., o., (niet vr.). = Kleur. C. D. T. R. K. color.

KOLEUREN, werkw., overg.. = Kleuren. K. colorare.

KOLF, z. nw., m., (niet vr.). — Z. Wdb.. C. T.

— = (Kinderspel) Stoot met het nonhout tegen eene andere non.

— Kolfken kappen. Z. Kolven.

KOLIOR. z. nw., m.. = (Schipp.) Oud versleten zeeschip dat niet meer bevaarbaar is en op stroom gebruikt wordt voor magazijn van kolen.

KOLK, z. nw., m.. (niet vr.). — Z. Wdb.. C.

Bij Verd. m. envr..

KOLLE, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Kollebloem, Papaver rheas, coquelicot, fam. Papav.. D. vert. P. rh. door bloedzuigersbloem, hondsroze, enz..

KOLLER, z. nw., m.. — (Ziekte) Stille koller, stille hersenontsteking, bij de peerden.

Ook slapende vijt en slapende vijver.

— Razende koller, woedende hersenontsteking, bij de peerden.

Ook dulle vijf en dulle vijt.

KOLOMSTOOF, z. nw., vr.. = Kolonkachel, poële colonne.

KOLVEN, werkw., onov. [hebben). — (Nonspel) Eene non die op de hand staat te draaien, met kracht op eene liggende non werpen. Met eene non kolven.

KOM, z. nw., m.. — Stam van kommen. In dat huis is 't een goede kom veur mij, ik word er goed ontvangen.

KOMAF, z. nw., m., (niet o ). = Afkomen , einde. C. D. R. Daar is geen komaf aan. Wij zullen er 'nen komaf van of mede maken.

Gewest, bij V..

KOMBROOD, z. nw., o.. = Brood in eene kom gebakken.

KOMKOMMER, z. nw., m., (niet vr.). Z.

Wdb.. C.

KOM(ME), z. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : Op de kom bijten, geen deel kunnen of mogen hebben aan iets. Hij nam de winst veur hem en ik mocht op de kom bijten.

== (Steenbakk.) Aardput, put waar men de aarde uithaalt.

— = (Vleeschh.) Opening in den vloer langs" waar het bloed der geslachte beest naar den beerput loopt.

KOMMEN , werkw., onov. (zijn). = Komen. D.

Bij Verd. comen en commen.

Spr. . Gaan doet kommen. Z. Gaan. Van alle merkten thuis gekommen zijn. Z. Huis. Kom ik er vandana

niet, dan kom ik er morgen, op eenen luiaard. Ze hebben u zien kommen, u duur doen betalen. Ik hoor u kommen, ik raad uw inzicht. Daar kom ik niet verre mee, dat baat mij weinig.

Worden. C. D. S. Dat zal nooit goed kommen. Als ge die verf laat drogen, zal ze wel helder kommen.

Z. Verdam, 1723.

— = Doen, eene beweging maken. C. Zoo deed hij om mij te bedreegen.

44-

Sluiten