Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Kopken trappen. Kinderspel. Men speelt dit spel, als de zon of de maan schijnt. Hij die de haan of het hoofd is, moet trachten op de schaduwe van 't hoofd der andere gezellen te trappen.

— = Wederspannig, koppig mensch. 't Is een kop, hij wilt niets doen, als 't hem niet aanstaat.

— = Rechterkant van een muntstuk. De kop onzer centen draagt den Belgischen leeuw. Kop of Jetter, kruis of munt. Z. ook Keien.

— = (Kindersp.) Deel van het hinkelperk waar de kinderen drijmaal op den steen schuppen moeten.

— = (Bieman) Korf met eenig werk van boven in den kop. Het is voordeeliger 'nen zwerm op 'nen kop te zetten als op 'nen ijlen korf.

— = (Wever) Ieder der twee uiteinden van een versch opgeboomd stuk. Kop houden is den effenaar vasthouden , als er opgeboomd wordt.

— (Schrijnw.) De kop eener kas het bovenste deel dat de eigenlijke kas bedekt en waar de lijst aan

vastgemaakt is. C.

KOPALMACHTIG, z. nw., m.. — Spotnaam, iemand met een groot hoofd.

KOP APPEL, z. nw., m.. = Groote appel die niet al te goed van smaak is ; hij gelijkt voor den vorm op den kattekop.

KOPBAND, z. nw., m.. = (Boer) Bovenste deel van den band waar eene koe mee gebonden is. Het onderste heet stalband. De kopband is dus alleenlijk dit deel dat om den nek of de hoornen der koeien is.

KOPER, z. nw., m.. — Z. Duiver. S.

Spr. ; Gij zijt de koper van de keet, de bijzonderste van den hoop.

Bij S. ook kobber en kopper; bij K. kobber en kubber, columbus.

KOPEREN, z. nw., m.. — Z. Duiver.

KOPERLOOD, z. nw., o.. = (Schoenm ) Stof door den schoenmaker gebezigd om lik te maken.

KOPERTEEKEN, z. nw.. o.. = (Smid) Koperen priem dienende om lijnen op de platen te trekken.

KOPHOUT, z. nw., o.. = Kopshout.

KOP JAGER, z. nw., m.. = Raagbol, raagborstel.

Spr. : Haar hebben gelijk een kopjager.

Bij D. kobbejager en koppeljager ; bij S. koppejager.

Ook koppenjager.

KOPKEN, z. nw., o.. = Postzegel met of zonder koningshoofd. C. Een kopken van eenen centiem.

KOPLAAG, z. nw., vr.. = (Mets.) Laag steenen die petiets gemetst zijn. C. D.

KOPLUIS, z. nw., vr.. = Luis die op 't hoofd van den mensch leeft. C.

KOPNAGEL, z. nw., m.. = Hoefnagel,

— Z. Hoofdnagel. C. D.

KOPNET, z. nw., m.. = Net dat over het hoofd van 't peerd hangt om de vliegen af te weren.

KOPPEL, z. nw., o.. = Twee , zonder nadere bepaling. Veur Nieuwjaar kreeg de knecht een koppel lijnwaden hemden.

KOPPELANGBEEN, z. nw., o.. — Z. Herder (Spin).

Bij D. koppel-langpoot en kobbe-langpoot.

KOPPELING, z. nw., m.. = (Vleeschh.) Stuk vleesch dat aan de tong vast is en deze aan den nek verbindt.

KOPPELMES, z. nw., o.. = (Blokmak.) IJzeren mes met lange stompe punt om den drom door de holekens van de klompen te steken , als men ze te zamen bindt.

KOPPEN, bijw.. — Z. Keien.

KOPPEN, werkw., overg.. = (Biljartspel) Met den stok boven op den bal stooten. Den bal koppen.

— = (Bieman) Den kop of den zegel afsnijden. K. decacuminare. Als men de toegezegelde cellen kopt, sterft het broed dat er in zit. Het is soms voordeelig het grof broed te koppen.

Z. Verdam, i).

— onov. (hebben). = Koppig zijn. C.

KOPPENEN , bijw.. — Z. Keien.

KOPPENJAGER, z. nw., m.. — Z. Kopjager.

Bij D. koppeljager.

KOPPERAAL, z nw., m.. = Korporaal.

KOPPIGAARD, z. nw., m.. = Koppige mensch of jongen. C.

KOPPLAAT, z. nw., vr.. = (Smid) IJzeren plaat, soms ja, soms niet versierd, die rond den kop der stoof ligt.

KOPPUS, z. nw., m.. : — Iemand met grooten, dikken kop. C.

KOPSPELLE, z. nw., vr.. = Speld met grooten kop. C.

KOPSTUK, z. nw., o.. = (Boer) Koord waar men de peerden en de koeien in den stal mede bindt. Bij het kopstuk is de kopband bij. C.

— = (Smid) Bovenste deel van eene kolombuis.

— = Hoofdaanleider eener godsdienstige secte of politieke partij. C.

Bij V. : « (gew.) koppig mensch. »

KOPTANG, z. nw., vr.. = (Smid) Nijptang , tang met dikken kop, vooral dienende om nagels uit te trekken.

KOPWIEL. z. nw., o.. = (Spinst.) Spinnewiel zonder vulsel. Een kopwiel spint gemakkelijkst.

KOR, z. nw., vr.. = (Visch.) Drijhoekige net waar men garnaal mede vangt.

KORAALBLOMMEKEN, z. nw.,o.. = (Kruidk.) Haagkers, Lonicera tatarica, fam. Caprif.

Sluiten