Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KORDAAT, bijw.. — Kordaat waar, zeker waar.

KORENTENBOOMKEN, z.nw..o.. = (Kruidk.) Aronia melanocarpa, amelanchicr, fam. Pommac..

KORENTE(N)KOEK, z. nw.. m.. — Z. Bezenhoek. C.

Spr. ; Hij heeft er maar vier en 'nen korentenkoek, hij is half zot.

KORENTE N)WEZEN, z. nw., o.. — Een korentenwezen hebben, pokdalig zijn.

KORF, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Leven uit den korf zonder zorg, onbekommerd leven.

KORFBIE, z. nw,, vr,. = Gewone honingbie, apis mellifica. Korf bie zegt men nooit op eene wilde bie, ofschoon men deze soms ook in eenen korf huisvest.

KORFKENS, z. nw., o., meerv.. = (Kruidk.) Euphorbia cyparissias, euphorbe petit cyprès, fam. Convolv..

Ook mandekens en wild vlas.

KORNEL, z. nw., m.. = Kolonel.

Z. Coronel bij Verdam.

KORNIJN, z. nw., o.. = Konijn. C.

KORREL , z. nw., m., (niet vr.). — Z. Wdb..

KORREN, werkw., overg.. = Vangen met de kor. V.. Mosselen , garnaal korren.

Soms onov, gebruikt voor : garnaal vangen. Wij gaan korren.

KORREWAGEN, z. nw., m.. = Kruiwagen. C.

S. K. korde-waghen, sarracum. Met 'nen korrewagen om vodden en oud ijzer rijden. V..

Verdam geeft crodewagen (corde(n)-, carie(n)-, crooy-, croy-J.

KORREWAGENBOER. z. nw., m.. = Kleine boer die peerd noch karre heeft.

Bij D. kordwagenboer.

KORST, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Wat gij daar zegt, gaat de korst af, is belachelijk , dwaas.

— Z. Kant.

KORT, bijv. nw. en bijw.. — Z. Wdb..

Spr. : Ik ben tevreden over uw lezing, ze was kort en goed. Het kort maken, met iets kort spel vtaken, het kort trekken, met iets kort werk maken, haastig handelen. Er is altijd iets te kort of te lang, 't is nooit van pas. Kort van stof of van draad zijn, licht gramstorig. 't Is beter de korte pijn als de lange, bij ziekten en kwalen. Kort en dik, dat prijs ik. Te hort bollen, zijn. doel niet bereiken. Alles kort en klein slaan, in stukken.

— Kort vleesch, malsch om bijten, kort van vezels.

— De korte maand, het kort of klein maan deken, Februari.

Spr. : De korte maand moet acht zomersehe dagen geven.

— Kortmes(t), verteerd mest, C. T.

— Kort nat, sterke dranken C.

— Er kort of nauw bij zijn , i° er dicht bij zijn ; 2° zeer spaarzaam zijn ; — ge zult er niet veel van krijgen, want hij is er kort bij.

— (Muld.) Kort malen, fijn malen. D.

— (Voerman) Kort keeren, zijn gespan in eene nauwe plaats omwenden. D. Hij kent het goed om kort te keeren.

— U kort keeren, haastig zijn , geenen tijd verliezen. Ge zult u kort moeten keeren, om op een halve uur terug te zijn.

— Kort van memorie zijn, niet onthouden , lichtelijk vergeten. D. R.

— z. nw.,o.. In'thort, binnen kort. C. Ik zal in 't kort hier verhuizen.

Ook in 't korts.

— = (Mulder) Meel uit den zesden bend van den buidel C.

Ook kortmeel.

— = Afval van den tabak te klein om gebezigd of ingepakt te worden.

KORTAF, bijw.. — Z. Wdb..

— bijv. nw,. = Ontevreden, bitsig, stijf. Hij was kortaf in zijn antwoorden.

KORTBREKIG, bijv. nw.. = Broos, half vermolmd , van hout gezeid. C. K. fragilis.

Bij D. kortbrahig en kortbrokkig.

KORTELIJNEWIEL, z. nw., o.. — Z. Katelijnewiel.

KORTELING, z. nw., m.. = (Vleeschh.) Bovenste deel van de korte ribbe , of van de eerste ribbe, of van de tweede ribbe, of van den dikken boom of van den dunnen boom. De dihhe korteling is van de tweede ribbe, de dunyie kor telingen zijn van de eerste en de korte ribbe. D. S.

Bij sommigen is er geen korteling van de tweede ribbe, maar van de eerste (dun) en van de derde ribbe (dik).

— = Afval, bijzonderlijk van hout bij het zagen.

Meest in't meerv. gebezigd.

— = (Bieman) Afgesneden deel der te lange raten.

Meest in 't meervoud gebezigd.

KORTEN, werkw., overg-. — (Vleeschh.) De aders korten , als de keel afgesneden is, de aders uithalen.

— tusschenv, (zijn). = Kort van draad , van vezels worden. Hoe ouder het vleesch wordt, hoe meer het kort. Verschgeslacht vleesch is taai en langdradiger.

— Hout, eenen boom korten , in stukken van bepaalde lengte zagen. D.

— (Boer) Gerst korten, de baarden van het graan afdoen met de peerden die ze gedurig betrappen , of soms met den bookhamer.

— onov. (zijn). = Helpen, baten. C. S. Het en kort niet dat ik uw schulden dek , ge maakt er alle

Sluiten