Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kinderen in het spel piepkenduik. Het beteekent : het kot is gewonnen , komt uit, het is niet meer noodig u nog verborgen te houden.

KOTHAAS, z. nw., m.. = Iemand die in het gevang gezeten heeft. Betrouwt hem niet, want 't is een kothaas.

KOTSEBAL, z. nw., m.. = Kaatsbal.

KOTSEN , werkw., onov. (hebben). — Kaatsen.

KOTTER, z. nw., m.. = (Schipp.) Plezierjacht met hoog tuig en scherpen kop, dat altijd op eene aanzienlijke diepte ligt; hij is van boven altijd gesloten. V..

KOTTERSTUIG, z. nw., o.. = (Schipp.) Tuig van sommige schepen bestaande uit een groot zeil waarboven een groot topzeil of een groote vlieger. Vóór den mast heeft men eene fok en eene groote kluiffok.

KOTTING, z- nw., m.. = Stoffengoed, soort van grof laken. De grofste en ruwste kapoten, gelijk die van de soldaten, worden van kotting gemaakt.

KOU , z. nw., m., (niet vr.). = Koude. T. R. Hebde zoo nog 'nen kou geweten ? Nen kou opdoen.

Spr. : Ons lieve Heer geeft kou naar kleeren. levers in clen kou kommen , verliezen, mislukken.

— z.nw., vr,.= (Schipp.) Wind tusschen zuchtje en bries. Wij hebben een schoone kou om naar Antwerpen te zeilen.

— (Schipp.) Kouken , o., kleine wind. Er waait een kouken uit het Noorden.

KOUD, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo koud als ijs. Dat woord was nog niet koud, was nauwelijks uitgesproken. Dat valt hem koud op het dak , dat staat hem niet aan. De steenen zijn te koud waar hij over gaat, men verzorgt en koestert hem op alle wijzen, 't Is koud of kwaad water, zei de reiger, en zijn bek vroos in 't ijs, 't is nu te laat beklaagd. Dat zal op geenen kouden (of blauwen) steen gevallen zijn, niet ongewroken blijven. Koud bier maakt warm bloed.

— = (Verver) Somber, kleurloos. Op iets een koude tint leggen.

KOU(D)VIER, z. nw., o.. = (Ziekte) Koudvuur.

KOULIJK , bijv. nw.. = Kouwelijk.

KOUS , z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Ma.akt bij velen in 't meerv. kousens.

Spr. : Een conscientic hebben gelijk een kous, zeer wijd. Met schoenen en kousen komt ge in den hemel niet. Die vrouw heeft geen kousens aan, in 't kaartspel, 't is de vrouw van troef niet.

— = Spaarpot. C. S. Buiten de weet van heuren man heeft de vrouw nog een kous.

— = Bos pluimen die rond de pooten van sommige vogels neerhangen tot op de teenen. C. D.

— (Bieman) Kousen, bollekens stuifmeel die de bieën

aan hunne achterpooten dragen. C. Z. ook Biebrood.

— Kouskens duiken, kinderspel waarin men zijne kousen duikt en een gezel naar de kleur er van raden moet; die zijne kousen laat zien, is er aan.

KOUSEBAND , z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Er staat cm kouseband op, van eene pintbier waar veel schuim op staat.

KOUSCHIJTER, z. nw., m.. — Iemand die de koude uitermate vreest. C.

KOUTENANCIE, z. nw., vr.. = Praat. klap, gemeenzaam gesprek. D. S. Hij is niet veel veur de koutenancie.

KOUTER, z. nw., m.. = Uitgestrekt effen akkerland. D. S. K. ook kauter = ager, campus.

Zuidned, bij V..

Z. Verdam.

KOUTGEVAAR, z. nw., o.. = Iemand die veel praat.

KOVEN, z. nw., m.. — Z. Koben.

KOVVEGESPINNE , z. nw., vr.. — Z. Kobbegespinne.

KOZAK, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Op den buit loopen gelijk de Kozakken, op het krijgen uit zijn.

KOZIJN, z. nw., m.. = Neef, cousin. D. S. R. K. sobrinus, consanguineus.

Spr. : Kozijn en nicht vrijt dicht, maar trouwt niet licht.

Ook kozzen.

Zuidned. bij V..

KOZIJNEN, werkw., onov. (hebben). — Kozijn zeggen, cousiner. D. S. Wij kozijnen, maar hoe wij familie zijn, weet ik niet.

KOZIJNTJES , z. nw., o., meerv.. — Z. Beestje. S.

KOZZEN, z. nw.. m.. — Z. Kozijn. C. D. S.

Zuidned. bij V..

KRAAG, z. nw., vr., (niet m.). — Z. Wdb..

Spr. : Een stuk in zijn kraag hebben, dronken zijn. Iets in zijn kraag lappen , uitdrinken.

— = (Wever) Getande schijf met klink die aan den onderlooper vastgemaakt is en dient om gemakkelijk de stof op te winden of gespannen te houden. C. D.

— = (Smid) Kort stuk buis dat rondom het rookgat eener stoof geklonken is en dient om er de buis op te zetten. C.

— = (Mets.) Uitspringend uiteinde eener kannebuis dat het hoofd der naaste kannebuis insluit.

KRAAI, z. nw., vr.. — (Vogel) Corvus, corneille. Z. Wdb..

De zwarte kraai is corvus nigra , corneille noire , en de bonte kraai, corvus cinerea, corneille eendree.

Sluiten