Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KROL ACHTIG, bijv. nw . -: Wat eenigszins gekrold is. Krolachtig haar.

KROLLEBOL, z. nw., m.. = Krullebol, kroeskop. D. S. K caput crispum.

KROLLEBOOT, z. nw., m.. = (Schipp.) Kleine roeiboot die achter de zeilschepen hangt.

KROLLEN, werkw., overg. en onov. (zijn). = Krullen. S. K. hrolltn het hayr, crispare capillum.

KROLMOEIER, z. nw., na.. - (Smid) Moer met twee oogen. C.

KROLMUTS , z. nw., vr.. = Konde zwarte muts versierd met kleine ronde strikskens.

KROLSCHEER (zware e), z. nw., vr.. — Tang dienende om het haar te krullen.

KROM, bijv. nw. en bijw.. —Z. Wdb..

Spr. : Krom gaan van deugnieterij, zeer boos zijn. Krom en slom, die plank is krom en slom getrokken. Met kromme sprongen omgaan, valsch, bedrieglijk handelen. Van krommen haas gebaren, van niets, zich onwetend gelaten. Zoo krom als een zich el, als een zeta, als een haak.

— (Schoenmak.) Kromme leest, leest voor mansschoenen.

Ook mansleest.

»

KROMBAAIEN. werkw., overg.. — Krombranden. Een plank krombaaien.

Z. Baaien, 2".

KROMBEK, KROMBEKERT. z. nw., vr.. = Soort van erwt met kromtoppige peul. C. D. S.

KROMME, z. nw., m.. = Mes met krommen hecht, dat men kan toevouwen. C. S.

KROMMIGHEID, z. nw., vr.. = Kromheid.

KROMMING, z. nw., vr.. = Bocht. Er liggen veel krommingen in die baan.

KROMMING, z. nw., m.. = Kromme boom.

KROMSPIE, z. nw., vr.. — Iemand om een kromspie zenden, aardigheid van den iste" April.

KRONKELDEBONKEL, bijw.. = Krom. De lijn is kronkeldebonkel getrokken.

KRONSEL, z. nw., m.. — In de gep. woorden kronsels en bronsels, bronsels, verwarde, duistere zaken Ik en kan uit al die kronsels en bronsels niet.

KROON (scherpe 0) z. nw., vr. — Z. Wdb..

— = Omvang van de takken eens booms. D. S. K. kroon der hoornen, coma arborum. Die boom zou een schoone kroon hebben, als hij zoo leeg van kruin niet ware.

— = (Vleeschhouwer) IJzeren banden in den vorm eener kroon. waar haken aan vast zijn om er het roet aan te hangen.

KROONBALK (scherpe o), z. nw., m.. = (Dijkw.)

Balk op het hoofd van verscheidene palen vastgehecht om deze om zoo te zeggen aan elkander te verbinden.

KROONBOEI, (scherpe 0), z. nw., vr.. = (Schipp.) Boei die op haar bovendeel voorzien is van eene soort wisschen mand die boven het water zeer hoog uitsteekt.

KROONEN (scherpe 0), werkw.,overg.. = Kronen.

— == Versieren. Als de pastoor ingehaald wierd , waren al de huizen gekroond.

KROONTJES (scherpe 0), z. nw., o., meerv.. = (Kruidk.) Eupliorbia Lathyris (marginata), eupliorbe cpurge, fam. Euphorb.. D. noemt die bloem spurge en wolfsmelk.

Ook patientis.

KROONTJESLISCH (scherpe 0), z. nw., o.. = (Kruidk ) Egelskop, Sparganium ramosum, S. erectum, rubanier rameux, fam. Aroïd.. D. vertaalt S. er. door rietgras.

KROONWIEL (scherpe 0), z. nw., o.. = (Meulen) Groot wiel dat dient om de steenen te bewegen.

KROOS (scherpe 0), z. nw., vr.. = (Kuiper) Kreus. Z. Wdb..

— = Kreusmes, dienende om de kroos te leggen.

KROOS (scherpe 0). z. nw., m.. — Interest. D. K. lucrum. Als ge bij hem om geld gaat, zal hij u dobbelen kroos doen betalen.

KROOZEN. werkw.. overg.. - (Kuiper) Eene kroos maken, krozen.

KROP, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Zijnen krop vol hebben, op het punt zijn van te weenen. Volle krop, dolle kop.

— IBakk.) Brood uil den krop. Z. Grof. D.

— (Vleeschh ) De krop van de pens is een soort van darm, bedekt met een blauwrood vel. dat het kropvleesch heet; de krop van den afval bestaat uit ringen kraakbeen.

— (Muld.) De krop van den steen is de holte in den looper. C.

Ook kropgat.

— = Bol van de over elkander sluitende blaren sommiger groenten. D. Die salade maakt geen grooten krop.

Z. Verdam.

KROP, z. nw., m.. = (Ziekte) Kroep, croup.

Ook kropziekte.

KROPBEET (scherpe e), z. nw., m.. = Zeer groote voederbeet, die tot 10 kgr. weegt; hij groeit meer boven dan in den grond. Er is gele en roode kropbeet.

KROPGAT, z. nw , o.. — Z. Krop (Meulen).

KROPPEN, werkw., overg.. — Wind kroppen, ophalen , van de peerden gezeid.

Ook opkroppen.

Sluiten