Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ieder draagt zijn kruis niet altijd op zijnen rug, het lijden is niet altijd gekend.

— Kruis der vogelvangers: i. Ekstra bona — kraai nota — ompla de pompla — djompla de grachta. 2. Musch — sprie , vink — okster hannewuiting.

— Raadsel op de hen :

Er loopt iets rond het huis En 't maakt alle stappen een kruis.

— Over kruis, lcruiswijs, C. D. Hij lei zijn beenen over kruis.

— = (Bieman) Teeken dat de stekken in eenen korf vormen ; afstand van het eene kruis tot aan het andere. De bieën hebben al drij kruisen gewerkt.

— = (Meulen) De zware balken die kruiswijs op de teerlingen liggen en den meulenstaak ondersteunen. D. kruisplaat.

— = (Nonspel) Twee of drij meten die elkander snijden en die de kinderen in het nonnen op den grond trekken om er naar te kampen.

— = (Wever) Einde der keting waar de vitsroede in steekt.

— Kruisen, meerv., plechtigheid van Sint-MarcXisdag en de kruisdagen. C. Er was veel volk in de kerk met de kruisen. De kruisen gaan vandaag.

KRUISBAND, z. nw., m.. = (Vlas) Strooien band waar men het vlas mede in wisschén bindt.

KRUISBEELD, z. nw., o.. —Z. Wdb..

Daarop het raadsel ;

Een boom zonder blaren,

Een kroon zonder blommen ,

Een spiegel zonder glas,

Raadt eens wat dit was.

KRUISBROOD, o.. = (Bakk.) Brood met een groot kruis op en dat eerst van al in den oven gestoken wordt.

KRUISEFIKS. z. nw., o.. = Kruisbeeld, crucijix. C. S.

KRUISEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

— = Plagen , last aandoen. V..

Spr. : Met zwijgen kruist men den duvel.

KRUISGEBED, z. nw., o.. = Gebed dat men leest met uitgestrekte armen naar 't voorbeeld van den gekruisten Zaligmaker. V. C. D. S.

KRUISGEBINTE, z. nw., o.. = (Schrijnw.) Gebint dat geplaatst wordt daar waar vier dakvleugels samenloopen. C.

KRUISGEBOORTE, z. nw., vr.. = (Verlosk.) Geboorte met den mond omhoog.

KRUISGEWIJS, bijw.. = Op de wijs van een kruis, kruiswijs.

Bij D. kruiswijsde en kruisewijs.

KRUISKEN, z. nw., o.. = (Pottenbakk.) Klein steenen voorwerp met drij uitstekende armen waarop in den oven de koffiepotten met hunne

opening geplaatst worden en die beletten dat zij aan malkander bakken.

— = Een tiental jaren. C. D. R. Ik heb straks vijf kruiskens achter of op den rug.

— Kruiskens zetten, in het schaatsen gedurig verspringen zoodat het gemaakte spoor in het ijs op kruiskens gelijkt.

KRUISKEN-A , KRUISKEN-A-BOEK. z. nw., o.. = ABboek. S.

Ook kruiskcnsboek.

KRUISKENKAMPEN , werkw., onov. {hebben), sch.. = (Nonspel) Om te weten wie eerst mag spelen, werpt men de non uit naar een kruis dat men in den grond gemaakt heeft. Wie dichtst bij het kruis is , speelt eerst.

KRUISKENS. z. nw„ vr.. — Z. Bloedige wonden, 2°.

— Wordt in 't algemeen op alle soorten van phlox gezeid.

KRUISKENSBLOM, z. nw., vr.. — Z. Jonkerken, i".

— Waarschijnlijk ook Saponaria multijlora, saponaire de Calabre, fam. Caryoph..

KRUISKENSBOEK, z. nw., m.. = ABboek. S.

KRUISKENSDAG, z. nw , m.. =■= Aschdag, Asschewoensdag. C. S.

KRUISKENSKRUID. z. nw.. = (Kruidk.) Filago, fam. Comp..

KRUISKENSLOF, z. nw., o.. = Lof des Vrijdags zonder 't H. Sacrament ; de benedictie wordt met het H. Kruis gegeven.

KRUISKNOOP (scherpe o), z. nw., m.. Knoop dien men, in het nettenbreien, bij iedere maas legt.

KRUISLIEVENHEER, z. nw., m.. = Kruisbeeld. S. Op het kerkhof staat een groote kruislievenheer.

KRUISMAT, z. nw., vr.. = Stoelmat waarvan de biezen of stroohalmen, in hunne ligging, een kruis beschrijven.

KRUISNET, z. nw., vr., (niet o.). — Z. Wdb .

— = Spinneweb der kruisspin.

KRUISNETTEN, werkw., onov. {hebben), onsch.. = Visschen met het kruisnet.

KRUISSLEUTEL, z. nw., m.. = Sleutel waarvan de baard eene kruisvormige insnede heeft.

KRUISSPOOK (zachte en scherpe o), o.. = Spook dat 's nachts te midden op de kruisstraten zit te zingen, alsook in de hoven waar een kruisweg ligt (!)

KRUISSTEEK (zachte*), z. nw., vr., (niet m.). = (Kleermak.) Naad waarvan de steek over kruis ligt. V.. Men legt de kruissteek, opdat de stof niet uitvezele.

Sluiten