Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— = Dringend uitnoodigen. C. Hij vroeg mij om een stuk mee te eten en ik liet mij niet kwellen, want ik had grooten honger.

KWELM, z. nw., m.. — Z. Drift. D. S.

KWELMGROND , z. nw., m.. — Z. Drift. S.

KWELP, z. nw., m.. - Z. Drift. S.

KWELPGROND, z. nw., m.. — Z. "Qrift.

KWELPROOT (scherpe o), z. nw., vr.. = Sloot die kwelp bevat.

KWELSPREUKEN : Wie reilt weten mar Wauters (Wijkers, wij) wonen, Wauters (Wijkers, wij( wonen wijd weg.

Soms zeggen ze wonder wijd weg.

i?ood leer rekt wel.

jDavid (Daniël) deed den duvel dansen deur den dikken dunnen draf, dat deed David (Daniëlj den duvel doen.

Tien pond klodden en aan ieder klodde een pond.

De Aat die Arabt de Arullen van den /rap tot op den /immerman zijn gereedschap.

Mulder maalt mijn moeders meel, mijn moeder moet morgen malsche masiellekens maken met meeI.

A/ulder Mariman maalt mijn moeders meel, mijn moeder moet morgen mee mij Mech'elsche mastellekens maken.

Zeven gedobbelde twijndraan rond Zeveneekenkerkhof.

ifoben /mopt zijnen knop en daar is niemand die ifoben zijnen A«op Aan A«oppen als iïoben die Awopt zijnen knop.

Op den Hollander: Waar' Willem weg, wij waren wel.

De doktor deed dat dochterken dood.

Mieken maakt mijn moeders muts.

Fale i'ale i»os. fait verre zian Flaanderen.

.Kosters Alein Aindje Aakt Aleine, Aromme Aeutels.

KWENEKOM, z. nw., vr.. — Z. Kween.

KWENSELDEKWANSEL. z. nw., m.. = Iemand die nu eens zus en dan eens zoo wil, besluiteloos man.

KWERN . z. nw., vr.. — De maaltanden van een dier. D.

KWERNEN. werkw., onov. (hebben) = Met de tanden- malen. D. Het peerd is bezig met te kwernen.

— = Herkauwen, kweernen. D. S. De koe, als ze ligt, kwernt heur eten.

KWERRELEN, werkw., onov. ;hebben). = Twisten met woorden.

KWERRELING, z. nw., vr.. = Kleine redetwist.

KWEST. — Z. Gekwest. Kwest wie die moord begaan heeft. Kwest of onze buurman de schuldige niet is.

KWESTIE, z. nw., vr.. = Geschil, ruzie. D. S. Kwestie krijgen veur een pint bier. In kwestie liggen.

— Z. G kwest C. D. S. Kwestie of 't mergen goed weer zal zijn.

KWETS. — Z. Gekwet. Kwets komt hij vandaag niet.

KWETSBLAD , z. nw., o.. - Z. Geneesblaren.

KWETSBLOMMEKEN, z. nw., o.. — Z. Blauwe oogshens.

KWET — Z. Gekwest.

KWEZEL. z. nw., vr.. — Smaadnaam voor eene vrouw of jonge dochter die overdreven godvruchtig is.

— = Kloosternon, zonder minachting. V.. Ons dochter gaat kwezel worden.

— = Vod dienende om er de potten mee van 't vuur te nemen. C.

— = Slechte. valsche knikker.

KWEZELEER (zware e), z. nw., m.. = Iemand die overdreven godvruchtig is.

KWEZELKENS, z.nw, o., meerv.. = (Kruidk. Rouwbloem, Scabiosa atropurpurea, scabiense noire . fam. Dipsac.. D. ook commeer, diamant en panenbroek.

KWIJT, bijv. nw.. — Z. Wdb.. Iets kwijt zijn. Zijn geld kwijt geraken. Dubbel of kwijt spelen.

— Kwijt zijn, effen zijn, zonder schuld. S. Het is kwijt Wij zijn kwijt.

KWIJTEN, werk., overg.. = Volbrengen, vervullen. C. D. Zijn plichten kwijten.

Hier nooit wederkeerig gebruikt.

KWIJTMAKEN, werkw., overg.. — U iets kwijtmaken , iets zeggen wat op het hert lag.

KWIJTSCHEL, z. nw., m,. — Inde spr. : Uitstel is geen kwijtschel.

KWIJTSPELEN, werkw., overg., scheidb.. = Heime ijk zich van iemand verwijderen, ontmaken. S. R. Ik liep haastig in 'nen wegel en zoo speelde ik hem kwijt.

KWIK, z. nw., m., (niet o.). — Z. Wdb..

Spr. : Zoo levendig, zoo rap als kwik. Van kwik gemaakt zijn, kwik in 't gat hebben, ongedurig zijn.

KWIK, z. nw., m.. — Z. Koevoet.

KWIKKELACHTIG, bijv. nw.. = Wankelend. C. Geef mij 'nen anderen stoel, want dedeze is zoo kwikkelachtig.

KWIKKELAS, z. nw., vr.. = Vrouw of dochter die kwikkelt, die nooit gerust is.

KWIKKELEER (zware e), z. nw., m.. = Jongen of man die niet stil zitten kan. S.

Sluiten