Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die deel maakt van het ladewerk en dient om het ladewerk aan te drijven, beter te persen.

LAD EN. werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Iemand laden, hem leugens wijsmaken. Goed geladen zijn, tamelijk veel gedronken hebben. Het op iemand geladen hebben, gemunt. Z. ook Geladen. Aan iets geladen zijn , mei iets zijn volle vracht hebben.

— (Brouw.) Den ketel laden , met water of bier vullen.

LAiBEN MAKER. z. nw., m.. (Wever) Man die laden maakt.

LA(DE)WERK, z. nw., o.. (OMemeulen) Al het getuig dat dient om de laatste olie uit den koekte trekken, gelijk ladeblok, ladeweg, drijfweg, losweg, jaagijzer enz..

LA(D)ING, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

— (Schipp.) In lading liggen, gereed liggen om bevracht te worden. In lading nemen, laden.

LAF, bijv. nw.. == Zwoel. Z. Wdb.. Laf weer. 't Is bijzonder laf vandaag, ik geloof dat het zal donderen.

— = Lui, loom. C. Ik ben laf meer als veel deur de danige hitte.

LAFENIS, z. nw., o.. - Z. Wdb,.

— 't Is een lafenis veur de dood, zegt men als een stervende wat betert of als er een korte regen valt na eene lange en schadelijke dipogte.

LAFFIGHEID , z. nw„ vr.. = Zwoelheid. C.

— = Loomheid. Hij zou van laffigheid in 't open veld geslapen hebben.

LAFGAWEG, LAFWEG, bijw.. = Traag, lui. 't Kostte veel moeite om deur die brandende zon te gaan ; endelijk ging ik toch , lafgaweg.

LAFHERTIG, bijv. nw. en bijw.. = Lui.

LAFHERTIGAARD, z. nw., m.. - Groote luiaard.

LAFHERTIGHEID, z. nw., vr.. = Traagheid, luiheid.

LAFLEUR, z. nw., m.. = Deugniet, schimpnaam.

— = Beslagmaker, laweitmaker.

LAFTE. z. nw., vr.. = Zwoelheid. D. Die lafte maakt mij lui.

LAGIESTEREN. LAGOEDEREN, werkw., onov. {hebben). — Z. Lachiederen.

LAK, z. nw., m., (niet o.). — Z. Wdb..

LAKEDIS, z. nw.. vr.. = Hagedis. Z. ook Artisse.

Ook laketis, laketiste en lokhetisse.

LAKEN, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr, : Iemand van 't zelfde laken een broek geven, iemand met dezelfde munt betalen.

— --- Beddelaken. Z. Wdb..

Spr. : Onder de lakens gaan, u tusschen uw lakens

steken, gaan slapen. Onder 't groen laken steken, begraven zijn. In slechte lakens zitten, in een hachelijken toestand , voor gezondheid of voor fortuin.

LAKENSNIJ(DE)R, z. nw.,m.. —Z. Wdb..

— = Koopman in ellegoederen , in 't algemeen. D.

LAKENSNIJDERSWINKEL, z. nw., m.. Winkel waar laken en alle soorten van ellegoed verkocht worden. D.

LAKE(N)WASS CHiING, z. nw., vr.. = Feestmaal dat iemand aan zijne vrienden geeft ter gelegenheid van zijne gezondheidsherstelling. D.

Bij S. lakenwasch.

LAKETIS, LAKETISTE, z. nw., vr.. — Z. Lakedis. D.

LAKS, bijv. nw.', en bijw.. = Achteloos, nalatig, onoplettend , verwaarloozend. S. Een lakse vent. Ge zijt te laks om goede zaken te doen.

Bij V. «(gew.) slof, traag , lauw. »

LAKSIGHEID. z. nw., vr.. Achteloosheid, nalatigheid, onoplettendheid.

LAKSKEN. z. nw., o.. = Ouwel om brieven dicht te lakken. S.

LAM, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo zacht, gerust als een lam. Zoo gemoeiig als een lammeken, zeer gedwee.

— = Zachtmoedig mensch. Nu dat die woeste kerel ziek is , is hij een lam geworden.

LAM, bijv. nw.. —Z. Wdb..

— (Steenbakk ) Lamme steen, steen die , door hem op zij te smijten , den eenen kant meer open heeft dan den anderen.

— Lamme kant, kant langs waar een boom weinig takken of blaren heeft. De boom staat te dicht tegen den muur, hij zal 'nen lammen kant krijgen.

— = Lui, traag. Hij is te lam om op te staan.

LAMBIK (klemt. op bik), z. nw., m.. — Z. Alambik.

LAMBIK (klemt, op bik), z. nw., m.. = Zeker bruin bier dat te Brussel gebrouwen wordt. C.

Zuidned. bij V..

LAMEER (zware e). z. nw., gesl. ? — Lameergeven, katoen , peper, klouw geven, geweldig te werke gaan. Geeft maar lameer !

Bij D. lament.

LAMEER (zachte e), z. nw., vr.. = Klappei, babbelaarster. C. S. R. K. muiier garrula.

Bij V. veroud..

LAMEEREN, werkw., onov. (hebben). — Uit praten gaan. C. S. R. K. confabulari. Den heelen avond staat ze daar met heur buurvrouw te lameeren.

LAMIJN. z. nw., vr.. = Iemand die traag, een-

Sluiten