Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LATSPOOR (zachte en scherpe o), z. nw., vr.. — Z. Klatspoor.

LATTEINjWERK , z. nw., o.. = Latwerk.

— = (Wever) Tuimelaars, kammen die altoos heen en weer gaan om den gaap te vormen.

LAUREIS, z. nw., m.. = Laurentius.

Spr. : Als Sint Laureis komt met zijnen vloei, dan vertrekt de Zomer met spoed. Zijnen tijd gehad hebben gelijk de braambezen waar Sint Laureis zijn vel over gestroopt heeft. Z. Braambees.

LAU(W). z. nw., vr.. = (Visch) Zeelt. C. S. K. tinca piscis.

Gewest, bij V..

Spr. : Drinken gelijk een lauw, veel.

LAUWERS, z. nw., m., meerv.. - (Schipp.) Oogen gewoonlijk van ijzeren kousen voorzien, die in het lijk van een zeil gewerkt zijn en waar de rabanden aan vastgemaakt worden.

LATIWERTIEN, z. nw., m.. =(Kruidk.) Laurusboom, Viburnum tinus , laurier-tin, fam. Caprif.. D.

LAVEI, z. nw., m.. = Daad van laveien, nachtjacht. D. S. In de uitdrukking op lavei zitten.

— Lavei steken , lui zijn , niet willen werken. D.

Bij V. : (gewest.) van dijkwerkers, wanneer ze den arbeid staken en anderen dien met geweld doen staken

LAVEIDAG, z. nw., m.. = Vrije dag, dag dat men geen verplicht werk doen moet, rustdag.

LAVEIEN , werkw., onov. (hebben). = 's Nachts op wacht zitten om hazen of ander wild te vangen , pensjagen. D. S. Hij gaat altijd laveien als de maan schijnt.

Bij V. : « straatslijpen, lanterfanten. »

LAVEN , werkw., overg.. —Z. Wdb..

— = Bevochtigen. Het vlas wordt gelaafd door regen en dauw.

LAVESSEKRUID. z. nw., o.. .-= (Kruidk.) Lavas, Levisticum officinale, livéche, fam. Umbell.. D. lavasse en ebbekruid.

LA VETS , z. nw., vr.. — Schimpnaam , vrouwmensch dat tot niets goed is. D. S. K. muiier ignava. Vuile lavets.

LAVOOR (scherpe 0), z. nw., m.. — Z. Avoor. D. S.

— = Witte marmel, bij de kinderen. D. S.

LAVOOR (scherpe 0). z. nw., o. = Ivoor, ivoire. D. S. Die marbol is van lavoor.

— m.. = Glazen en gekleurde marmel waar de kinderen mede spelen. D. S. Ik ben al mijn marbels kwijt, behalve mijnen lavoor en dien zullen ze mij niet afzetten.

LAVOOREN, bijv. nw.. = Van ivoor. D. Een lavooren marreboel.

LAWEIT, z, nw., o.. == Lawaai, geraas, gerucht. !

C. D. S. K. lauweit, proelusio. Waarom veur 'nen niet zooveel laweit gemaakt ?

Zuidned. bij V..

Bij D. ook laweef en lawijt.

Spr. : Een laweit van de duvels, een laweit van den anderen wereld, zeer hevig.

— = Die gerucht maakt, laweit, laweitster. Wel ! gij zijt toch een laweit!

— = Schitterende kleur. Ik houd van geen laweit in mijn kleeren.

LAWEITEN, werkw., onov. (hebben). — Laweit maken. C. D. K. lauweiten, rem agere ludricam. Veel kinderen bijeen laweiten altijd.

— ==, Uitvaren. Die dronkaard, als hij te huis komt. laweit altijd op zijn vrouw.

Bij S. la weien.

LAWEITER, z. nw., m.. - Die gerucht maakt.

LAWEITMAKER , z. nw., m.. = Die gerucht, laweit maakt. C. D. S.

LAWEITSTER, z. nw., vr.. = Die gerucht, laweit maakt.

LAZERUS. z. nw., m.. — Z. Blazerus.

LAZIER. z. nw., o.. - (Pottenbakk.) Glazuur.

Ook laziersel en loodsel.

LAZIEREN, werkw., over.;.. — (Pottenb.) Met glazuur beleggen. Potten lazieren.

LAZIERSEL, z. nw., o.. — Z. Lazier.

LEBBEREN, werkw., onov. (hebben). Platachtig, kleverig worden. T. R. Als brood of vleesch begint te bederven, lebbert het. Als het vlas, nat gesleten en dan samengezet, plakt en beschimmelt, dan zegt men dat het lebbert.

LEDEKANT, z. nw., o.. - Z. Wdb..

LEDEKANTVIJS, z. nw., vr.. = (Schrijnw.) Bedschroef, dienende om de zijden eener bedsponde aan het hoofd- en voeteinde vast te maken.

LE DlEN. verl. deelw. van lijden. - Geleden. C.

D. R. K. leden. j. gheleden — el apsus. 't Is drij weken leden.

LEE (scherpe e), z. nw., vr.. — Naam aan groote beken gegeven.

Ook watergang.

Bij V. : « lei (Zuidned.) waterleiding. »

Bij S. lei en lede.

Z. Lede (leede, leide), bij Verdam.

LEED (scherpe e), z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Leed en hout groeien allen dag.

LEEDE. z. nw., vr.. — In zijn leede zitten, in een moeilijken toestand zijn , ét re dans l'embarras.

Lede, 328, bij Verdam (?).

LEEDDRAAD (scherpe e , z. nw., m.. = (Wever) Draad dien men opleidt of waar men gedurig stukken moet aan knoopen.

Sluiten