Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEPTANG, z. nw., vr.. = (Smid) Nauwe tang, rechte tang. Met de leptang kan de smid , best van al, de te bewerken voorwerpen stevig houden.

LES, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Dat is een les, dat zijn lessen, die ondervinding moet ons wijzer maken. Iemand de les spellen , zeggen wat hij te doen en te laten heeft, hem duchtig vermanen.

Bij V. iemand de les lezen.

LESS(CH)EN, werkw., overg.. = Baden, bevochtigen, van wonden en verzeeringen gezeid. C. Een wonde lesschen.

LEST, bijv. nw. en bijw.. = Laatst. R. K. Ik kwam lest een oude kennis tegen. Hij is de leste van de school.

Z. Verdam.

Spr. : Lest gedinkt best. Een vrouwmensch moet het leste woord hebben. Die lest lacht, best lacht. Op zijn leste beenen loopen of gaan, niet lang meer duren , niet lang meer te leven hebben. Den lesten stuiver uitsteken, bijna ten onderen zijn.

— z. nw., o.. Op 't leste, zeer laat; eindelijk. Ge

Komt altijd op t leste. Ge zegt: ik zal dat doen, en op 't leste moet ik 't in uw plaats verrichten.

LESTENS, bijw.. = Laatst. T. R.

Bijzonderlijk door de kinderen in het spel gebezigd. Ik moet lestens spelen. .

LETA, z. nw., vr.. = Coleta.

LETS, z. nw., vr.. = (Ivleermak.) Lis. D. S. K. lesse.j. letse, litse = laqueolus. Er zijn letsen aan uw kleed.

Bij C. lits.

Ook lits.

Bij Verdam: Letse (Iets, lits, laetse).

— Letsen, meerv.. = Moeilijkheid , strik (overdrachtelijk). In de spreuken : in de letsen zitten, uit de letsen geraken.

Bij C. lits.

— = (Smid) IJzeren oog waar de roeden der stoof in rusten.

Ook roebuisken.

— Letsen. Z. Brug, deel van den vlieger.

LETSCOHDEEL, z. nw., o.. = (Meulen) Zeel bestaande uit drij of vier koorden en dienende om het zeil op het achterhekken van de roede vast te maken.

LETSEN, werkw., overg.. = Met eene lis aaneenhechten , aaneenknoopen, aaneenstrikken. Draden letsen.

Z. Verdam.

LETSLIJN, z. nw., vr.. = (Meulen) Lijn die vast is als men het zeil op eene Iets trekt, en los als men het zeil t' halve trekt. Z. Trekken.

LETTE , z. nw., vr.. = Coleta, Colette.

LETTEN, werkw., onov. (hebben). = Wachten,

vertoeven, blijven, tijd verletten. D. S. K. mor are. Ge moogt nievers blijven letten, anders komt ge te laat.

Zuidned. bij V..

Z. Verdam, 421, 2).

— (aan) onpers. (hebben). = Afhangen van. D. Aan wien heeft het gelet dat gij te laat kwaamt ?

LETTER, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Hij kruipt overal binnen waar hij een letter ziet, een uithangbord, wordt gezeid op eenen herbergzitter. Geen letter kunnen zoo groot als een schuur oieeri huis , gansch ongeleerd zijn. Geen letter geleerd zijn, volstrekt niet kunnen lezen of schrijven.

— bijw.. = Langs den averechtschen kant, sprekende van muntstukken of knoppen. Kop of letter. De cent valt letter.

Ook letteren en letters.

— Op de letter spreken, de woordeu uitspreken gelijk zij geschreven zijn. C.

Bij V. naar de letter ; bij D. op letter.

LETTER, bijw.. = Luttel, weinig. D. S. K. lettel fland. j. luttel, parum. Al heb ik vandaag maar letter gewonnen, ik heb toch mijn broodeken verdiend. Letter werk, letter verteer onder de menschen. Ik weet er te letter af om er over te klappen.

Bij Verdam luttel (littel. lettel, Intel, littel) en lutter.

— Zoo letter en zooveel, met dit alles ; — 't is toch zoo letter en zooveel dat ik moet soldaat worden.

LETTEREN, LETTERS, bijw.. — Z. Letter.

LEUGEGEM, z. nw., o.. — Bij eene leugen; te Waregem gebeurd, en te Leugegem verteld.

LEUGEN, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Van de eerste leugen niet geborsten zijn, de gewoonte hebben van te liegen. Van een leugen kommen er veel. Van hooren zeggen kommen de leugens in 't land.

LEUGENAS, z. nw., vr.. = Leugenaarster.

LEUGE(N)MEETE , z. nw., vr.. — Schimpnaam op een vrouwspersoon, di6 liegt of ontrouw aan heur woord is.

' Bij D. en S. leugenmeet (zachte e).

LEUGENZAK, z. nw., m.. — In de spr. ; Almanakken zijn leugenzakken.

LEUN, z. nw., vr.. = Leuning, appui, rampe.C. D. T. R. De leun van den trap, de brug, den stoel, enz..

LEUNSTOEL, z. nw., m.. — Z. Leenstoel.

LEUR, z. nw., vr.. — Z. Lor.

LEURDER , z. nw., m.. = Rondventer.

Bij V. : marskramer.

LEUREN, werkw., onov. (hebben). = Rondgaan , rondrijden om eenige waar te verkoopen, rond-

Sluiten