Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ziek, en valt uit. Die ziekte komt voor bij j schapen, honden , enz..

Ook rui.

LIJFSTUK , z. nvv., o.. = Bijzonderste stuk , stuk dat men boven alle verkiest te zingen of op te zeggen. S. De « Vlaamsche Leeuw » is het lijfstuk van veel jonge Vlaamsche muzikanten.

Bij V. : lijfstukje, geliefkoosd liedje. C.

LIJK [ij kort), voegw.. — Z. Gelijk. D. S. T.

Z. Verdam.

LIJK. z. nw„ o.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo bleek als een lijk.

— In lijke liggen, afgelegd zijn. Z. Afleggen D.

— Te lijke gaan. een lijk naar de kerk en het kerkkerkhof volgen. C. S. Er heeft veel volk te lijke geweest.

— - Lijkdienst. C. D. Er is een lijk om elf uren.

— — Aardappel die niet uitgekomen is. Er zijn veel lijken op uw land.

Voor de klavers zegt men wiel.

LIJKBIDDER, z. nw„ m.. — Z. Wdb..

Spr. : Een gezicht hebben gelijk een lijkbidder , bleek, treurig.

LIJKDEUR, z. nw„ vr.. - Groote voordeur eener kerk, langs waar men de lijken in en uit draagt. C. D. 't Zijn maar gapers die aan de lijkdeur staan om misse te hooren.

LIJKEN, werkw. overg.. — Z. Bollihken. D.

LIJKEN, werkw. overg., gelijkvl.. — Z. Afleggen. C. S. R. K. curare corpus mortuum.

Z. Verdam.

Spr. : Dal hij gelijkt ware. hij kost niet bleeker worden.

LIJKER , z. uw., m.. = (Schoenm.) Likhout. D.

Ook likker en likstok.

LIJM, z. nw , m.. (niet vr.). — Z. Wdb. C.

— = (Schipp.) Witachtige streep die bij een ontladen schip aantoont hoe diep het in het water gelegen heeft.

— vr. Lijm van de tij, donkere streep die op het water voortgebracht wordt op de plaats waar een deel van den stoom sneller vloeit dan elders.

LIJN, z. nw., vr.. = Koorde of snoer waar men 't peerd mede leidt.

— Een lijn bollen of rooien (in het pierspel), eerst van al den zot omverrebollen, waardoor de slag niet telt. Vandaar ook figuurlijk : eenen misslag begaan , mislukken.

— = (Boer) Plaats waar de geplante aardappel niet uitkomt. Daar liggen veel lijnen in onze patatten.

LIJN, z. nw., vr.. = Wollen draad. Lijn is zachter , maar zoo sterk niet als saai.

't Fr. laine.

LIJNACHTIG. bijv. nw.. = Veel van lijn (laine) weghebbende. Als de saai te lijnachtig is , zal de kous niet sterk zijn.

LIJNEN , werkw. overg.. = (Boer) Op platgereden land voren uitmaken die eerst op den draad afgesteken zijn. Voren lijnen.

LIJNTJE, z. nw., o.. — In de spr. : Met Lijntjes

dochter trouwen, zich ophangen.

LIJS, z. nw., vr.. = Elisabeth. R.

Gep. woord.: bij Anneke» en Lijsken hopen , bij iedereen.

LIJS. bijw.. = Licht, zacht. D.

Komt voor in allijs.

Z. Lise bij Verdam.

LIJS, z. nw., m.. Bank langs den muur in eene boerenkeuken. D. K. scamnum. De lijs bestaat niet veel meer; bijna overal zijn er stoelen inde plaats gekomen.

Bij D. ook lijst en lijste.

Z. Lise bij Verdam.

LIJSBETH. z. nw., vr.. - Elisabeth.

Z. Liezebeth.

LIJSOLIE. z. nw., vr.. = I.ijnzaadolie, lijnolie. C. D. S.

LIJST, z. nw., m. (niet vr.). — Z. Wdb.,

Bij Verdam m. en vr..

LIJSTER, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

— Dobbele lijster, Turdus viscivorus, grive draine.

— Fransche lijster. Z. Ballijster en Fransch.

LIJSTERPAND, z. nw., m.. = Groot net waar men lijsters mee vangt.

LIJ WAAD, z. nw., o.. = Lijnwaad. V. D.

Z. Verdam.

— = Linnengoed, vooral hemden. D. Een pak vuil lijwaad bij de waschvrouw dragen.

LI J WA AD VLASGAREN , z. nw., o.. = (Vlas) Garen waar men lijnwaad van weeft.

LIJWAADZEEL, z. nw., o.. ^ Gewone sterke koorde waar de wasch op gedroogd wordt.

LIJZAAD . z. nw., o.. = Lijnzaad, vlaszaad. D. S.

Bij C. lijzezaad, bij S. lijszaad en lijzezaad.

Spr. : Zijn hert is maar een lijzaad groot, hij is kleinmoedig, zeer bevreesd.

LIJZAADZIFT, z. nw., o. (niet vr.). = (Boer) Zift van de wan om lijnzaad te zuiveren. Het zift is langwerpig vierkant, het is gemaakt uit gevlochten koperdraad met zeskante fijne gaatjes.

LIJZEBROOD , z. nw., o.. = Lijnzaadkoek , lijnzaadbrood. S.

Z. Verdam.

LIJZEKOEK, z. nw., m.. — Lijnzaadkoek, lijnkoek. C. S.

Sluiten