Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Als iemand u iets vraagt dat ge hem niet zeggen of geven wilt, antwoordt men soms kortweg: loop er achter .

— = Vloeien. De vloed, de tij loopt, d. i., het water komt op.

— = Met bloemen of figuren geteekend zijn , van stoffen gezeid. Als de stof loopt, moet gij ze snijden volgens den loop.

— (Visscher) De visch looft, is in beweging, is uit op aas.

— = Gaan , sprekende van kleine kinderen. C. Ons kleintje van tien maand begint te loopen.

— Z. Liggen. Ik heb drij verkens loopen.

— Veel loopens aanhebben, veel moeite kosten. Een plaats bekomen heeft dikwijls veel loopens aan.

—■Loop naar de knoppeneden duvel, de maan, enz., maak u weg.

LOOPEND . bijv. uw.. — Z. Wdb.. De loopende maand. Loopend schrift. Loopende oogen.

Spr. : Loopende Kind is staande weer.

— (Met.) Den loopenden meter, bij de maat der lengte, zonder op dikte of breedte te letten. C. D. Ik betaalde veur mijn plansier drij frank den loopenden meter.

— (Schipp.) Loopende dirk. Z. Dirk.

— Looptud werk, werk waarbij men in beweging is. Mijn maag is niet goed , ik zou beter loopend als zittend werk hebben.

— (Metser) Loopend verband, loopverband.

— Loopend vuur, loopvuur.

— Een loopend gat hebben, niet stil kunnen zitten.

— Loopende vijl, fijt die van den eenen tot den anderen vinger overzet.

LOOPER. z. nw., m.. — Z. Wdb..

— = Kind dat reeds loopen kan. S. Heur oudste kind is nog maar een looperken.

— = Groote bigge die naar de markt loopen kan. V. D. S. R.

— Rijpeerd.

— =Die in den kampstrijd met de duiven loopt. Als ge ver van de societeit woont, moet ge veel loopers hebben.

— = Loopjongen, boodschapper. Ieder goed ingerichte maatschappij heeft haren looper.

— = (Schipp.) Alle touw die door eenen blok loopt.

— = (Schrijnw.) Lat die onder de lade eener kas wordt gebracht, om er de lade te laten overschuiven. C. Eene schuif ligt op twee loopers.

— Deel van den duivenkijker, dat uit latjes of ijzerdraad gemaakt is en dient om hem te sluiten voor de duif die er binnen is, en te openen voor die er buiten is.

— = (Steenbakk.) Rookbuis die van den oven naar de schouw leidt

— -- (Boer; Oude halve kous die de wieder voor de koude over zijne andere kous trekt, om zijne houten schoenen te kunnen uitlaten die schade zouden doen aan de jonge vruchten.

LOOPIJZER, z. nw., o.. = (Meulen) IJzeren lat waar men de loopstaken in zet.

LOOPKEN, z. nw., o.. = Kleine afstand. V. C. S. Ik ga algauw bij den burgemeester : zijn huis is maar een loopken van hier. Ge zult er rap zijn, 't en is maar een loopken.

LOOPMAR(K T. LOOPMAR K TERIJ, z. nw vr..= Moeite, last. C. S. R. Nu wisselt men overal het Amerikaalische geld uit, maar vroeger hadden wij daar veel loopmarkt mee.

LOOPNEST. z. nw., m.. - - Iemand die gedurig . rondloopt.

LOOPPLANKSKEN (scherpe»), z. nw.. o.. = (Bieman) Smal planksken onder het vlieggat, waar de bieën op loopen, bij het uit- en inkomen van den bak.

LOOPSPIL (scherpe o), z. nw., vr.. — Z. Loop baan.

LOOPSTAAK. z. nw., m.. - (Meulen) Ieder der steunhouten die aan den steert van den meulen zijn om dezen te beletten uit den wind te schieten. C.

Bij D. Loopsclioor.

LOOPSTEEN. z. nw., m.. = (Meulen) Looper, steen die draait, meule courante ; de andere steen is de ligger, meule dormante.

LOOPSTEERT (zware <), z. nw., m.. — Iemand die geerne rondloopt, veel op den loop is.

LOOPSTROP. z. nw., o.. = Strop dat vanzelf toeschuift als er iets in of aan komt.

Ook schuif strop.

LOOPTIJD, z. nw., m.. = Tijd van drift, van dieren gezeid.

LOOS (scherpe o). z. nw., vr..—(Schipp.) Loos geven, bocht geven , vieren. Een touw loos geven.

LOOS (scherpe o), bijv. nw.. — SlimZ. Wdb..

Spr. ; Wie lui is, moet loos zijn, om aan zijn brood te geraken.

— = Niet wezenlijk. Z. Wdb. Looze boom. Looze deur.

— Looze pan, licht, plat deksel eener kamerstoof.

— Looze ribben, fausses cótes, C. D.

— (Schrijnw.) Looze zolder, vliering.

— (Schipp.) Looze boeiing, planken die, tijdens onstuimige zee, boven de boeiing geplaatst zijn om het water te beletten op het dek te slaan.

— Looze vinken, opgerold vleesch van een nuchter kalf met van binnen fricadellenvleesch in, C. S.

— Loos poer, buskruit zonder kogel of zaad. D. Met loos poer schieten.

Sluiten