Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LUIACHTIG, bijv. nw . - - ïot luiheid getrokken. Ik en weet niet, ik ben vandaag zoo luiachtig.

LUID)EN, werkw. onov. (hebben). — Z. Wdb.. Het luidt veur de misse.

Spr. : Het zal op uwen toren luiden, ge zult duchtig vermaand worden. Over dood luiden. Z. Over. Dat zal hoog luiden, zal hoog, ernstig opgenomen worden.

LUIIDiKAMER, z. nw„ vr.. - Klein vertrek onder den toren waar men aan de klokken trekt.

Bij C. luihuis.

LUIEjREN, werkw. onov. (hebben . - Geweldig en herhaaldelijk trekken. S. De eene achter den anderen luierde aan de koorde totdat ze brak.

Gep. woord. : trekken en luieren.

LUI E RIK. z. nw., m.. Luiaard.

Zuidned , bij V..

LUIFER . z. nw., m.. —■ Z. Luffei.

LUIGAWEG. LUI WEG, bij w.. — Ik ben er zoo maar luigaweg van deur getrokken.

LUI(I)GHEID, /. nw., vr.. Luiheid. C.

Veroud. gewest, bij V.. *

LUIK, — In de Spr. ; Pier Luik komt, ik krijg vaak.

LUIKEN, werkw. overg.. -Met twee strengen vlechten. S. Hij stond bezig met een nonzeel te luiken. Wilt gij mij een djak luiken ?

Bij C. = « met strooi en biezen bevlechten. »

LUIKER, z. nw., m.. —Mes met houten hecht | waar de lemmer in luikt met eene springveer. jambette. D. S.

LUIKVOfRSCH. z. nw., m.. = Loopvorsch, kleine groene kikvorsch. K. loockvorsch = rana minima et viridissima.

Bij D. loopvorsch.

LUIREEP. z. nw., m.. = (Meulen) Luitouw,! reep , die op- en afrolt om de zakken op te hijschen en neer te laten.

Bij D. leereep.

LUIS, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Beter een luis in den pot ah geen vet, beter iets dat niet heel goed is dan niets. Van zijn eigen luizen gebeten worden, door zijne eigene fouten gestraft worden. Zoo arm, dood, kaal als een luis. Er aan zijn gelijk een luis op den kam. Vanzelfs kommen gelijk de luizen, ongevraagd.

— Wordt verachtend van menschen gezeid. C. D. S. Een arme luis. Die vremde luis wilt hier meester zijn !

— -= Uitspruitsel van den tabak, nadat hij afgetopt is. D. S.

— Z, Kalkluis.

LUIS. z. nw., vr.. — Z. Lon-

LUISSPOOK (zachte en scherpe o), z. nw., o.. — Spook waar men de kinderen mede verschrikt die zich niet willen laten kammen.

— == Luiszak , iemand die vol luizen zit. C.

Bij. D. luizespook.

LUISTEREN, werkw. onov. (hebben). — Z. Wdb..

Spr.': Luisteren gelijk een vink, zeer aandachtig. Luisteren oƒ 't in Engeland niet dondert, deuzebollen , knikkebollen.

— —•= Den invloed van iets ondergaan , D. De planten luisteren naar de warmte. Het hout luistert naar de vochtigheid Die balans luistert nauw : ze beweegt met een pluimken. Het schip luistert maar slecht naar 't roer.

LUISTERVINK, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Beter een dief of een duvel aan de klink als een luistervink.

LUISZAK, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo content als een luiszak, zeer tevreden.

— (Marmelspel) Die dikwijls luist.

LUITENTUIT, z. nw., m.. — Z. Lieieken.

LUIZEN, werkw. overg.. — Ven tabak luizen , de luizen of zijscheuten afnemen. D. S.

LUIZEN. werkw. overg.. = (Marmelsp.) Al de marmels der bos achtereen uitschieten. Hij heeft weeral de bos geluisd.

Bij D. = afspelen , sprek. van een' speler die veel en spoedig wint.

LUIZENKAM, z. nw., m. - Kam waar men luizen mee vangt, fijne kam. V.

— = (In het tritsen en pieren) De meten van den boom langs eenen kant geveegd, terwijl ze nog alle langs den anderen kant staan. Z. Boom.

— op 'nen luizenkam staan , geen enkele meet gewonnen of geveegd hebben . geen enkel spel gewonnen hebben.

LUK. z. nw., m. (niet o.). Kans, toeval. C. T. R. 't Is een luk als hij te huis is, want 't is zijn uur van wandelen.

Veroud. bij V..

Z. Verdam.

LUKKELIJK, bijv. nw., enkel als gezegde gebezigd. = Onzeker, wisselvallig, t Is lukkelijk dat het fruit goed is , als het te veel regent in het veurjaar.

LUKKEN, werkw. onov. (hebben of zijn). — Z. Wdb..

Wordt in alle personen gebruikt. Ge zult niet lukken. Ik meende dat hij zou gelukt hebben. De koekenbak is goed gelukt.

— Onpers. = Treffen. C.-'t Zou moeten lukken ('t zou een luk zijn) als hij u iéts zou geven, want hij doet niet open veur schooiers.

LUL. i. nw., m.. = Flauwe praat, zeever. C S.

Sluiten